De ik is van binnen stuk

De personages in het laatste deel van Hlasko’s Israëlische trilogie maakten zoveel ellende mee dat ze nooit geloofd zullen worden en daarom maar een rol spelen. Deze Pool beïnvloedde Arnon Grunberg.

Een Duitse soldaat liet tijdens de oorlog zijn hond los op de verteller Foto Hulton-Deutsch Collection/CORBIS

Een vertaling van Ik zal jullie over Esther vertellen, het laatste en dunste deel van Marek Hlasko’s Israëlische trilogie, verscheen begin jaren negentig bij de door Arnon Grunberg bestierde uitgeverij Kasimir. Commercieel was het geen succes. Of zoals een terugblikkende Grunberg het droog uitdrukt: ‘Als kwaliteit echt herkend wordt, zouden van dit boek tienduizenden exemplaren verkocht moeten zijn. Het waren er 96.’

Toen Grunberg de jonggestorven Pool op achttienjarige leeftijd voor het eerst las, zo schrijft hij in het nawoord van de nu in één band uitgegeven trilogie, maakte dat indruk. En wie de boeken van Hlasko (1934-1969) leest, zal concluderen dat Grunberg als lezer door hem werd aangeraakt, maar dat ook zijn schrijverschap erdoor beïnvloed is. Het kan niet anders of de toekomstige biograaf van Grunberg zal wijzen op de stilistische en thematische overeenkomsten tussen de twee auteurs. Het hotelleven, de joodse identiteit, het leven als een uit de hand gelopen vorm van acteren, het geld, de hardheid en kromme logica in de uitspraken van de personages, waar soms ook wel iets voor te zeggen is.

Het draait in De tweede hondenmoord, Bekeerd in Jaffa en het bovengenoemde Ik zal jullie over Esther vertellen om twee sjacheraars in Israël. De ene man heet Robert en je zou kunnen zeggen dat hij als een soort pooier optreedt voor de naamloze verteller. Met vernuftige, maar niet altijd even eenvoudig te doorgronden trucs praten ze zich de levens van oudere vrouwen in, met als doel ze hun geld afhandig te maken. Dit betekent niet dat de toon of de handelingen zoet of charmant zijn. Dat de ik van binnen stuk is, dat hij zichzelf als een hond met een afgezette poot voortsleept, is al snel duidelijk. Gaandeweg wordt de zoektocht naar een nieuw op te lichten slachtoffer voor zowel lezer als personage onbelangrijker en wordt een afwikkeling van het verleden onvermijdelijk.

Erupties

De wond is natuurlijk door een meisje veroorzaakt, maar er spelen ook andere zaken mee. Om dat naar voren te brengen kiest Hlasko voor een paar emotionele erupties, die weinig lezers onbewogen laten. De ik houdt lange tijd zijn gezicht in de plooi, maar als het ventiel open gaat, gaat het ook helemaal open. Je wordt dan in enkele streken genadeloos op de hoogte gebracht van het verleden van de verteller, op wie een Duitse soldaat tijdens de oorlog zijn hond losliet, ‘me vervolgens trapte en mijn neus brak, alleen omdat ik met zijn hond wilde spelen’. Of die keer dat hij in Warschau ‘zes Oekraïners had gezien die een meisje uit ons huis verkrachtten en vervolgens haar ogen uitstaken met een theelepeltje’.

De crux van dit alles is dat iemand die zulke taferelen heeft beleefd of aanschouwd na de pacificatie ‘nooit geloofd zal worden’ en dus veroordeeld is tot het levenslang spelen van een rol om zich nog enigszins staande te houden. Dat de mannen hier geld mee verdienen is dus eerder een wrang dan een slim gegeven.

Het wordt nergens met zo veel woorden gezegd, maar het is geen toeval dat de vertellingen in Israël plaatsvinden. Dat land zat in het begin van de jaren zestig vol zit met mensen die een manier moesten vinden om dóór te leven nadat ze de nazigruwelen aan den lijve hadden ondervonden.

Dialogen

Wat de trilogie lange tijd tot een intrigerende leeservaring maakt, is de bijterige, bijna agressieve toon. Hlasko geeft zelfs de meest onschuldige passages iets snauwerigs mee, alsof hij geen kans onbenut wil laten om je zijn verbittering in te peperen. ‘Robert stond op van ons tafeltje, ging telefoneren en kwam even later stralend terug, als een wijf dat net is klaargekomen.’ Het proza bestaat vrijwel alleen uit dialogen, maar dat wil niet zeggen dat de personages op elkaars woorden reageren. We lezen een soort monologen in dialoogvorm, want bijna altijd verspringt de naald naar een nieuwe groef als er een volgend personage aan het woord komt.

In het nawoord merkt Grunberg op dat het bij Hlasko ‘altijd te laat is’, waarmee hij treffend de vinger legt op de vergeefsheid die uit de personages spreekt. Ondanks dat het af en toe wat monotoon wordt, weet Hlasko je in het slotstuk met opnieuw zo’n eruptie recht tussen de ogen te raken.