Ruwheid maakt de schreeuw

Waarom gaat een ijselijke schreeuw toch zo door merg en been? Het is niet de luidheid of het schelle van het geluid dat zo doordringt, maar het schurende, snerpende of raspende ervan. Dat schrijven onderzoekers onder leiding van David Poeppel van het Max Planck Instituut voor Empirical Aesthetics in Frankfurt vandaag in Current Biology. Er kan nog zo veel omgevingslawaai zijn, een menselijke angstkreet of het gehuil van een hongerige baby lijkt er altijd bovenuit te klinken. Poeppel en zijn team analyseerden waarom dat zo is. Het verschil tussen schreeuwen en hard praten van proefpersonen bleek vooral te zitten in de snelle afwisseling van hard en zacht geluid; het raspen. Ook sirenes en andere alarmgeluiden hebben zo’n ruw profiel. De geluidssterkte moet met een frequentie van 30 tot 150 hertz moduleren voor een maximaal effect. Geluiden in dit gebied ervaren proefpersonen als onplezierig en rauw. Volgens de onderzoekers is dat niet toevallig: alarmkreten vormen een aparte categorie in de menselijke communicatie, om er geen misverstand over te laten bestaan dat het om een noodsituatie gaat. Dissonanten in het geluid versterken de ruwheid van het geluid in een schreeuw. En hoe ruwer het geluid, hoe angstiger proefpersonen het vonden klinken. Ze konden in een ruimtelijke opstelling ook nauwkeuriger aanwijzen waar de schreeuw vandaan kwam. MRI-beelden lieten zien dat schreeuwen het emotionele centrum in het brein, de amygdala, prikkelt.