Suriname koestert zijn muziektalent

De Indiaanse sambula-drum is verplichte stof op het nieuwe conservatorium van Suriname. „Met Surinaamse klanken, kun je onderscheiden als muzikant.”

Studenten van het Suriname Conservatorium in Paramaribo. Foto Ranu Abhelakh

Op de vraag wie morele bezwaren tegen de lesstof heeft, blijft het aanvankelijk stil. Buiten valt de avond over Paramaribo, eindelijk zakt de temperatuur onder de dertig graden. Binnen schuiven twaalf conservatoriumstudenten heen en weer achter houten schooltafeltjes. Voor de klas staat Gianni Stuurland, een Nederlandse student die zijn Surinaamse roots wil onderzoeken en zojuist sprak over winti, het afro-Surinaamse geloof.

Aarzelend steken twee meisjes hun hand op. Ze houden zich liever verre van winti. Het is dat het verplichte stof is, anders zouden ze hier niet zitten – niet te rijmen met het christelijk geloof.

Suriname is, in theorie, een muzikale goudmijn van etnische diversiteit. Naast Afrikaanse en Caraïbische invloeden, zijn er de Europese, Javaanse, Hindoestaanse en zelfs Chinese tradities te vinden en in het binnenland de liederen van de oorspronkelijke bewoners. Pas sinds drie jaar heeft het land een eigen conservatorium, deels opgezet om dat goud te delven. Er is nog veel te doen, want van oudsher is er relatief weinig kruisbestuiving tussen de verschillende stijlen.

Leerlingen die weigeren winti-ritmes te spelen, krijgen een lager cijfer. Het docentenkorps zoekt naar een oplossing om het ongemak te beperken, maar afstuderen zonder de belangrijkste Surinaamse muziektradities te kennen, is geen optie.

„We zijn pioniers”, zegt adjunct-directeur en studieleider Albert Arens. Hij richtte het conservatorium samen met Ramon Williams op om te werken aan een serieuze muziekcultuur in Suriname en om het jonge talent te helpen zich te ontwikkelen. „Er zal hier geen afdeling klassiek komen op het niveau van Amsterdam, maar er is hier een caleidoscoop van invloeden die je nergens anders vindt.”

In omringende Caraïbische landen zijn geen conservatoria. Nergens kun je naast het drumstel ook de sambula van de indianen bespelen én de Hindoestaanse tabla én de Afro-Surinaamse apinti én de Javaanse gamelan. Op The Green Conservatory is het verplichte stof.

Er zijn nu 65 studenten, over twee jaar moeten dat er 120 zijn. Arens streeft ernaar dat op den duur 40 procent van de studenten uit het buitenland komt. Tot nu toe is Gianni uit Nederland de enige.

Pah-pah-páh

In de kantine wisselen drie jongens oordoppen en mobiele telefoons uit. „Luister dan. Het is pah-páh-pah en daarna pah-páh.” Kevin Fitz-James tikt het ritme op tafel. De andere twee luisteren nog eens, maar zijn nog niet overtuigd. Ze proberen de clave, het sleutelritme, van een nummer van salsamuzikant Ruben Blades te doorgronden. Na nog een luistersessie zijn eruit: het is pah-pah-páh en dan pah-páh.

„Het niveau is hier veel hoger dan op de privémuziekscholen”, zegt basstudent Fitz-James. „Ik wil iets groots bereiken, ik wil topmuzikant worden. Wat je hier leert is Surinaamse klanken toe te voegen aan eigen composities. Daarmee kun je je onderscheiden als muzikant.” Zijn vrienden knikken instemmend.

Bico Zeewijk (percussie) probeert bijvoorbeeld jazzcomposities te maken in de afwijkende maatsoort 9/8. Althans, voor jazz is dat afwijkend, in traditionele Surinaamse muziek niet. Zeewijk: „Surinaamse muziek draait vooral om ritme en dat bepaalt de frasering, je componeert vanzelf anders.” Fitz-James ziet het als de taak van de eerste lichting conservatoriumstudenten om de muzikale Surinaamse rijkdom bekend te maken in het buitenland.

Dat wordt nog een klus, want zelfs in Nederland kennen maar weinig mensen de Surinaamse muziek. Volgens Arens komt dat onder meer door de beperkte bevolkingsomvang (500.000). „Er is geen Surinaamse wereldster. Die moet misschien van dit conservatorium komen.” De kleine bevolking is ook een van de redenen dat het zo lang duurde tot het land zijn eigen conservatorium kreeg. „Niemand geloofde dat het kon, te weinig studenten, te weinig docenten. Er bestaat hier geen professioneel netwerk zoals in Nederland.”

Het conservatorium is gevestigd naast de grote houten kathedraal van Paramaribo. Dat is geen toeval. Toen Arens door het bisdom werd gevraagd voor een zangworkshop, ontdekte hij dat „niemand een noot kon lezen in Surinaamse kerkkoren”. Dat zou een workshop niet oplossen, dus startte hij in 2009 de kathedrale koorschool. Er was een gebrek aan docenten, dus ook die wilde Arens gaan opleiden. In 2011 begon het conservatorium. „Ik ben gebleven om leiding te geven.”

Het gebrek aan docenten op hbo-niveau wordt deels opgelost met internetcolleges. Zo zijn er bijvoorbeeld lessen van de Curaçaos-Nederlandse operazangeres Tania Kross. De docenten kunnen in Nederland zitten, maar net zo goed in India.

Een van de docenten die wel regelmatig in Paramaribo verblijft, is Pablo Nahar. Hij is een van de aartsvaders van de Paramaribop, de jazzstijl waarin bebop mixt met Caraïbische en Surinaamse tradities.

Tijdens zijn ensembleles in een klein lokaal zweept Nahar zijn studenten op. „Mooi hoor, blijf in die swing!”, schreeuwt hij boven een saxsolo uit. De blazers hebben een Caraïbisch brassgeluid toegevoegd aan een lastig jazzlijntje. Nahar hoort dat er iets nieuws ontstaat. Als het even stilvalt en de studenten verwachtingsvol opkijken: „Je moet het meer harmoniseren. Schrijf dit soort dingen verder uit, werk het uit, dan voeg je echt iets toe aan de muziek van Paramaribo.”