Column

Kakkerland

‘Ik ga een roman schrijven die zich in kakkerland afspeelt”, zegt Martje. „Ik ben zelf ook een kakker dus ik weet er alles van.” We bekijken haar allemaal eens goed. ’t Zou kunnen, hoewel mensen zelden zijn wie ze zeggen te zijn. „De plot is uitstekend”, zeg ik, „maar je hoofdpersoon, die Jenneke, is nog wat kleurloos. Aan het eind is ze hetzelfde als aan het begin.”

„Het is een onzinnig cliché dat de hoofdpersoon een ontwikkeling moet doormaken”, zegt Jacques, een dikke man die niets heeft ingeleverd. „Madame Bovary, Humbert Humbert uit Lolita, Anna Karenina, die veranderen juist niet!”

„Maar die gaan ook dood of komen in het gevang”, zeg ik. „Die gaan rechtdoor waar de aarde bol is, en kukelen er vanaf. Net als Don Giovanni die liever rechtstreeks het hellevuur inloopt dan zich aan te passen. En dat zie ik Jenneke nog niet doen.”

„Ik zie Jenneke wel vóór me”, zegt Anneloes.

„Dat zegt niks”, zeg ik, „als ik tegen jullie zeg: ‘zo’n te gebruinde, geblondeerde vrouw uit Zandvoort met te veel goud’ zie je het ook meteen voor je. Maar dat betekent niet dat het een goede beschrijving is.”

„En ik vind het ook een actueel gegeven, met die Marokkanen erin!”, houdt Anneloes vol.

Een paar Marokkanen in het verhaal leiden altijd tot bewonderende opmerkingen over de ‘eigentijdsheid’. Ik heb nooit begrepen waarom literatuur actueel zou moeten zijn. Er is al zoveel actualiteit. Overal om je heen.

„Hoe dan ook”, zegt Martje, „ik ben absoluut niet van plan om literatuur te gaan schrijven. Ik schrijf een boek voor mensen die geen boeken lezen. Dat is namelijk een veel grotere doelgroep.”

„Dat is waar”, zeg ik, onder de indruk.

„Deze cursus bestaat uit acht lessen”, vervolgt Martje, „en in de brochure staat dat we na de laatste les een eerste versie van de roman hebben. Ik heb uitgerekend dat ik per les 35 bladzijden moet inleveren.”

„Je weet dat Roald Dahl al heel blij was met een halve bladzijde per dag?”, vraag ik.

„Maar ik ben Roald Dahl niet”, zegt Martje.

Tien dagen later rollen de eerste 35 bladzijden van Martjes roman uit de printer. Twee weken later de volgende portie. Anneloes schrijft al even lange lappen, en ook de anderen zetten er de pas in. Alleen Jacques, die het steeds over Dostojevski heeft, is nog niet verder gekomen dan bladzijde twee. Als hij ook nog eens een lange scènelijst inlevert, geef ik hem op. Zoals zwaluwen de zomer aankondigen, zijn scènelijsten en het citeren van Dostojevski de geheide voorbodes van voortijdig vertrek. Wat het met elkaar te maken heeft, weet ik niet, maar het verbaast me niet dat we Jacques na de vierde les niet meer terugzien.

Martjes bladzijden blijven uit de printer stromen en op mijn aandringen wordt Jenneke aan het slot weliswaar niet ter helle gevoerd, maar wel uit kakkerland verdreven.

Na acht lessen is de roman af, na twee maanden verkocht, en als ik Martje een jaar later tegenkom, is het boek drie maal herdrukt. „De filmrechten zijn ook al verkocht!”, zegt ze. „Ik ben alweer halverwege een nieuw boek. Schrijf jij nog? O sorry, ik moet verder!”

Boeken schrijven voor mensen die geen boeken lezen. Waarom heb ik daar zelf nou nooit aan gedacht?