Dinootjes kijken is leuk maar niet goed genoeg

Over het versuikeren van je oorspronkelijk bittere uitgangspunt. Door Woody Allen en Lee Harper.

Onze telefoons worden ingenomen door geüniformeerde mannen, die ons vervolgens tijdens de voorstelling met infraroodkijkers bespieden. Voor het geval iemand het tóch in zijn hoofd haalt om een fotootje of een filmpje te maken. Zo zie je maar weer: kunst doet ertoe. Dus niet alleen Jurassic World (leuke film; bracht binnen twee weken een miljard dollar binnen en werd door de kaartjescontroleuse adequaat getypeerd met: „Lekker dinootjes kijken, mevrouw?”), maar óók Woody Allen. In Hollywood spugen ze op ’m, en toch bewaken ze zijn nieuwste als de Koh-i-Noor. De première is volgende maand, maar wij mogen ’m alvast zien, als aftrap van het Woody-Allenretrospectief in Amsterdam (Eye) en Den Haag (Filmhuis).

Daar gaat hij dan: Irrational man. Over een hoogleraar filosofie aan een kleine Amerikaanse universiteit. Verfomfaaid van drank- en vrouwmisbruik besluit hij strikt de principes van het existentialisme aan te houden. Ook als dat moord impliceert, aangezien de anderen de hel zijn. Op zijn bureau ligt Dostojevski’s Misdaad en straf. Woody Allen parafraseert die roman met deze film.

Terwijl ik zit te kijken, moet ik denken aan Allens Crimes and Misdemeanors uit 1989. Ook een variatie op Dostojevski, ook met een lastige geliefde die uit de weg moet worden geruimd. Een sterke, soms stugge film is het. Moord is logisch en de moordenaar komt ermee weg. We zien hem zijn daad zelfs zo’n beetje vergeten. IJselijk.

In 2005 pakte Allen Dostojevski’s Misdaad en straf wéér op, in Match Point. Een fenomenaal lichte film met de bekende coördinaten: moord op minnares en de overtuigd immorele dader gaat vrijuit.

Ik was onder de indruk van Crimes en kapot van Match Point. Irrational Man is zoiets als lekker dinootjes kijken. Vaardig gemaakt, grappig, melancholiek. En met goedgevoelgarantie, want dit keer ontloopt de moordenaar zijn straf niet.

Van Harper Lee kwam in 1960 de roman To Kill a Mockingbird uit, over een blanke anti-racistische advocaat in het Ku Klux Klan-Alabama van de jaren 30. Net als Woody Allen ging ze, zo bleek onlangs, voor dit boek op herhaling. Want toen Harper Lee in 1957 datzelfde boek voor het eerst schreef, onder de titel Go Set a Watchman, was die advocaat au fond net zo racistisch als de rest. Op aanwijzing van haar uitgever vormde Lee haar bittere roman om tot een feelgood-verhaal. Geschikt voor een miljoenenpubliek, dat van haar prachtige zinnen genoot en de hoofdpersoon met zijn hoogstaande principes in het hart sloot.

Mockingbird is mooi. Te mooi. Net als Allen met Irrational Man liet Lee met deze gefatsoeneerde versie geen spaan heel van haar oorspronkelijke uitgangspunt. Net als hij verzachtte ze haar wrange kijk met een irreële scheiding tussen goed en kwaad.

Of Watchman een goed boek is, is bijzaak. Het is de bron van Mockingbird, en daar kan niemand meer omheen. Hij toont dat Harper Lee haar roman hervormde tot een soort dinootjes kijken.

Harper Lee schreef nooit meer. Voor haar writer’s block kunnen allerlei verklaringen zijn. Faalangst. Of uitgeschreven zijn. Of iets anders. Bijvoorbeeld dat een massaal publiek de verkeerde roman omarmde. Als dat geen reden is om er het zwijgen toe te doen, wat dan wel?