De Politiecolumn: Een stresstest voor de politie

Als het er in de rechtsstaat echt om spant wordt vooral verantwoordelijkheid, moed en zorgvuldigheid gevergd. En de bereidheid achteraf van het eigen doen en laten verantwoording af te leggen. In de Politiecolumn kijkt Guus Meershoek terug op het leven van Cor Verbiest, politieman, verzetsman en, na de oorlog, drijvende kracht achter het onofficiële bureau Terugbezorging Joodse Goederen.

In zijn Utrechtse oratie onderwierp Alex Brenninkmeijer dit voorjaar de Nederlandse rechtstaat aan een stresstest. Het is een kritische beschouwing waarvan je hoopt dat verantwoordelijke personen zijn suggesties ter harte zullen nemen. De politie ontsnapt enigszins aan zijn aandacht. Dat is jammer want voor veel burgers is de politie toch het gezicht van de rechtstaat. Toevallig ontving ik in dezelfde week dat ik zijn in het Nederlands Juristen Blad (2015, nr. 16) gepubliceerde tekst onder ogen kreeg, een brief die mij herinnerde aan een politieman die toen de Nederlandse rechtstaat aan een echte test werd onderworpen, deze zelf glansrijk doorstond.

Het betreft Cor Verbiest, een boerenzoon uit Goeree Overflakkee die in de meidagen van 1940 als soldaat het land verdedigde en daarna in dienst trad van de Amsterdamse politie. Als rechercheur van bureau Warmoesstraat werd hij in 1941 geconfronteerd met radeloze joden die uit Buchenwald doodsberichten van hun opgepakte verwanten hadden ontvangen. Verbiest verleende hun wat nu wordt genoemd ‘een luisterend oor’, werd voor joden in de knel een betrouwbaar contact bij de politie en hielp waar hij kon. Al doende ontmoette hij de even onverschrokken Mia Hergesell, die zijn levenspartner zou worden. Beiden kwamen al snel bij de clandestiene verzetsgroep van Gerrit Jan van der Veen en Gerhard Badrian. Cor nam in 1944 met hen deel aan de overval op de Landsdrukkerij die een groot succes werd en aan de eerste overval op de Weteringsschansgevangenis die rampzalig verliep. Op zijn werk kon hij zich toen al niet meer vertonen.

Ik leerde Cor en Mia begin jaren negentig kennen. Cor was een man die haarscherp aanvoelde als onrecht werd begaan en dan bergen kon verzetten om het ongedaan te maken. Hij was niet gemakkelijk voor anderen maar ook niet voor zichzelf. In de politie richtte hij het eerste bureau voor criminaliteitspreventie op. Toen hij begin jaren zestig door een superieur, die ‘bloed aan zijn handen had’, werd tegengewerkt, nam hij ontslag. Hij overleed in 2010; Mia vorig jaar.

Een bijzonder voorval in zijn politieloopbaan had zich direct na de bevrijding voorgedaan toen Cor wel weer in dienst was genomen maar samen met enkele collega’s die eveneens de politie voor het verzet hadden verruild, zonder taak op een kamer was geplaatst. Lang was zij niet werkloos gebleven. Verbiest werd namelijk aangesproken door een uit de onderduik teruggekeerde jood die zijn huis niet meer in kon en zijn huisraad kwijt was. Voor een ervaren rechercheur was die zaak vrij snel recht te zetten. Toen Verbiest zich vervolgens meldde bij de officier van justitie, kreeg hij de boodschap: ‘Het is goed wat je doet, ga ermee door, maar ik wil niet dat er iets van op papier komt. Wij hebben werk genoeg.’ Het onofficiële bureau Terugbezorging Joodse Goederen is enkele maanden actief geweest en heeft wat van het door Nederlanders aan vervolgde joden extra toegevoegde leed ongedaan kunnen maken. Omdat er in de archieven vrijwel niets van terug te vinden was, luisterde ik ademloos naar zijn verhalen.

De brief die mij dit voorjaar aan Verbiest herinnerde, kwam van een van zijn zonen en bevatte het aanbod van zijn papieren nalatenschap. Daarin trof ik drie notitieboekjes aan waarin nauwgezet is vermeld bij wie in 1945 verduisterd joods bezit in beslag was genomen en aan wie het was terugbezorgd. Een prachtige historische bron om gepast gebruik van te maken, maar voor mij toch bovenal iets anders: een getuigenis van Verbiests voorbeeldige beroepsopvatting. Zelfs toen hij de vrije hand had gekregen en gedreven de goede zaak kon dienen, wilde hij toch van zijn daden verantwoording kunnen afleggen.

Bij een rechtsstaat denken wij allereerst aan regels, zorgvuldig geformuleerde regels, democratisch aanvaarde regels, door juristen tegen het licht gehouden regels, regels die in de loop der tijd hun waarde voor het maatschappelijk verkeer hebben bewezen. Zij reguleren de macht van de overheid en zijn daarom een groot goed. Eind vorig jaar signaleerde de Inspectie VenJ dat de parate kennis van die regels bij de politie te wensen overlaat en dus verbetering behoeft. Het bijbrengen van die kennis is zeker een kwestie van aanhoudende zorg. Maar wordt, als het er echt om spant, bij een echte stresstest, van het gezicht van de rechtsstaat niet eerst en vooral iets anders gevergd, namelijk verantwoordelijkheid, moed, zorgvuldigheid en de bereidheid achteraf van het eigen doen en laten verantwoording af te leggen? Die vraag ligt voor mij besloten in de herinnering aan Cor Verbiest.

Guus Meershoek is lector Politiegeschiedenis aan de Politieacademie en universitair docent Bestuurskunde aan de Universiteit Twente. De Politiecolumn verschijnt wekelijks en wordt afwisselend geschreven door politiedeskundigen.