De Lijstjeslawine: acht boeken over gevangenschap

Joaquin 'El Chapo' Guzman op archiefbeeld. De drugsbaas ontsnapte eind vorige week uit een zwaarbewaakte gevangenis. Foto ANP/EPA/MARIO GUZMAN

Hij deed andere schoenen aan, ging naar de douche en vanaf dat moment ontbreekt ieder spoor van de beruchte Mexicaanse kartelbaas Joaquin ‘El Chapo’ Guzmán. Guzmáns ontsnapping uit een zwaarbewaakte gevangenis is de aanleiding voor een nieuwe Lijstjeslawine, met daarin acht boeken over gevangenschap.

Alexandre Dumas: De graaf van Montecristo (1844)

Schermafbeelding 2015-07-15 om 22.40.57

De jonge, knappe stuurman Edmond Dantès uit Marseille wordt vals wordt beschuldigd en verdwijnt op de dag van zijn verloving met de beeldschone Mercédès in een aardedonker cachot. De ontmenselijking vindt onmiddellijk plaats. In de vertaling van Jan Mysjkin uit 2010 lezen we:

“Het sinistere rijkshotel had vijftig kamers. De logés werden genoemd naar hun celnummer, zodat de onfortuinlijke jongeman niet langer Edmond heette, bij zijn voornaam, of Dantés, bij zijn achternaam, maar nummer 34.”

De roman is bekend door de ingenieuze manier waarop Dantès enkele jaren later wraakneemt op de ‘vrienden’ die hem indertijd (uit jaloezie op zijn geluk) verraadden, maar ook door zijn ontsnapping uit de gevangenis van Château d’If. Als een medegevangene, Faria, overlijdt, neemt hij diens paats in een lijkzak in, want “alleen de doden verlaten vrij het Château d’If”. Bewakers werpen de zak met Dantès erin over de rand van het fort, de diepte in, richting zee:

“Direct daarop voelde Dantès hoe hij werd weggeslingerd in een reusachtig niets en het luchtruim als een gewonde vogel doorkliefde - en hij viel, en hij bleef maar vallen, met een angst die het bloed in zijn aderen deed stollen. Hoewel hij door iets zwaars met volle snelheid naar beneden werd getrokken, kwam het hem voor dat zijn val een eeuwigheid duurde. Tot sloot schoot hij als een pijl met een vreselijke plons in ijskoud water, waardoor hem een gil ontsnapte die gelijk door de onderdompeling werd gesmoord.” (Vertaling Jan Mysjkin, 2010)

Boëthius: De consolatione philosophiae (524)

Schermafbeelding 2015-07-15 om 22.42.44

De Romeinse filosoof Boëthius schreef het invloedrijke De consolatione philosophiae (De vertroosting van de filosofie) in de kerkers van het Noord-Italiaanse Pavia, wachtend op de voltrekking van zijn doodvonnis, dat hem was toebedeeld toen hij ervan werd verdacht samen te spannen met het Byzantijnse Rijk. Boëthius richt zich in De consolatione philosophiae tot vrouwe Philosophia, die hem onder andere geruststelt over de vergankelijke aard van roem en rijkdom.

Henri Charrière: Papillon (1968)

Schermafbeelding 2015-07-15 om 22.41.48

Tot midden vorige eeuw dumpten de Fransen hun zwaarst gestrafte criminelen in de Zuid-Amerikaanse kolonie Frans Guyana. Ex-gedetineerde Henri Charrière (1906-1973), onderwereldfiguur uit Parijs, werd in één klap wereldberoemd toen zijn avonturenroman Papillon in 1968 verscheen. Zijn semi-autobiografisch relaas over dertien jaar gevangenschap in de strafkolonie is doordrenkt met een bewonderenswaardige overlevings- en ontsnappingsdrang, ingegeven door zijn onterechte veroordeling wegens moord.

Dat Charrière van 1931 tot 1944 in de strafkolonie verbleef, lijdt geen twijfel. Maar de heldenstatus die hij zichzelf, onder meer met negen spectaculaire ontsnappingen, toekent, bestaat grotendeels uit belevenissen van andere gevangenen. Charrière was een weinig opvallende gedetineerde, zoals journalist Alexander Miles schrijft in zijn publicatie Devils Island, Colony of the Damned.

Toch biedt Papillon, behalve razend spannende avonturen, een goed beeld van het leven in de strafkolonie, waar overleven ten koste van alles ging. Beschrijvingen van omkoperij, ontsnappingspogingen, hechte vriendschappen, verraad en moord zorgen dat de zwaar vervallen celgebouwen tot leven komen. “De verhalen zijn zo levensecht”, zo schreef NRC ooit over dit boek, “dat je darmen gaan rommelen als je leest dat gedetineerden hun geldcilinders anaal verborgen”.

Milan Kundera: De grap (1967)

Schermafbeelding 2015-07-15 om 22.42.09

De eerste roman van Milan Kundera verscheen in 1967 en maakte hem met 120.000 verkochte exemplaren meteen beroemd in eigen land. De grap draait om het lot van de jonge man Ludvík, die in een communistisch land een grappig bedoelde briefkaart naar een vriendin stuurt met de tekst (Vertaling Jana Beranová) ‘Optimisme is opium van het volk! Een gezonde geest riekt naar domheid! Leve Trotski!’. De autoriteiten, bij wie de kaart beland, kunnen de grap niet waarderen en laten Ludvík voor straf een tijd in de kolenmijnen werken. De wrange ironie van de roman is dat de wraakactie van Ludvík na zijn gevangenschap niet uitpakt zoals verwacht.

Alexander Solzjenitsyn: De Goelag Archipel (1973)

Schermafbeelding 2015-07-15 om 22.43.22

Alleen al de titel is wereldberoemd geworden. Sinds Solzjenitsyn is ‘de Goelag’ - de bureaucratische afkorting staat voor Glavnoje Oepravlenije Lagerej, Hoofddirectoraat der Kampen een internationaal begrip. Als metafoor is de Goelagarchipel een vondst: Solzjenitsyn beschreef de Stalin-kampen als een onzichtbaar eilandenrijk dat zich over de hele Sovjetunie uitstrekte, bevolkt door de miljoenen leden tellende stam der zeki (een afkorting van zakljoetsjonnye, gevangenen). Die hele stam geostraceerden stond tientallen jaren totaal buiten de maatschappij, maar omdat het er zoveel waren, wist iedere sovjet-burger van het bestaan van dit schimmige dodenrijk. Iedereen had er familie zitten, maar zweeg erover. Solzjenitsyn beschreef die archipel als volgt:

“Van de Beringzee tot aan de Bosporus verspreid liggen de duizenden eilanden van de behekste Archipel. Ze zijn onzichtbaar, maar ze bestáán en van het ene eiland naar het andere worden, net zo onzichtbaar, maar onafgebroken, gevangenen getransporteerd, die van vlees en bloed zijn, die een volume hebben en een gewicht.”

Albert Camus: De vreemdeling (1942)

Schermafbeelding 2015-07-15 om 22.44.44

Het personage Meursault brengt met vijf schoten uit een revolver een Arabier om op een zonovergoten strand. Hij wordt gearresteerd, wordt uitgehoord over zijn daad en belandt in de gevangenis, om uiteindelijk in een dodencel te belanden na een proces dat vooral lijkt te draaien over berouw - dat hij niet heeft. Lijdt Meursault onder zijn gevangenschap? Die indruk krijg je niet:

“De grootste moeilijkheid in het begin van mijn opsluiting evenwel was dat ik de gedachten koesterde van een vrij mens. Ik voelde bijvoorbeeld het verlangen aan het strand te zijn en naar de zee te lopen. Wanneer ik me het geluid voorstelde van de eerste golven onder mijn voetzolen, het binnendringen van mijn lichaam in het water en het gevoel van bevrijding dat het me gaf, dan besefte ik plotseling hoe nauw de muren van mijn gevangenis waren. Maar dat duurde slechts enkele maanden. Daarna had ik geen andere gedachten dan die van een gevangene. Ik zag uit naar de dagelijkse wandeling op de binnenplaats, of het bezoek van mijn advocaat. De rest van mijn tijd wist ik heel goed door te komen. Ik dacht dikwijls dat wanneer men me in de holle stam van een dorre boom had laten leven, zonder andere bezigheid dan naar de hoge lucht te staren boven mijn hoofd, ik me er langzamerhand in zou hebben geschikt.” (Vertaling Adriaan Morriën, 1949)

Tahar Ben Jelloun: Cette aveuglante absence de lumière (2002)

Schermafbeelding 2015-07-15 om 22.48.17

De Frans-Marokkaanse schrijver Tahar Ben Jelloun werd in 2004 de negende winnaar van de International IMPAC Award, ‘s werelds grootste literaire (geld-)prijs voor een roman of verhalenbundel. Tahar Ben Jelloun (Fez, 1944) kreeg de prijs, waaraan een bedrag van honderdduizend euro verbonden was, voor de Engelse vertaling van zijn roman Cette aveuglante absence de lumière (2002). Hierin vertelt hij het verhaal van de achtentwintig halfdode ‘samenzweerders’ die in 1991 na achttien jaar uit de isoleercellen van koning Hassan II van Marokko werden vrijgelaten. Een verblindende afwezigheid van licht (in het Nederlands door De Geus uitgegeven) wekte bij verschijning beroering, niet alleen door de beschreven gruwelijkheden, maar ook doordat Ben Jelloun gebruik had gemaakt van een fictieve hoofdpersoon en niet de grenzen tussen fictie en documentaire zou hebben gerespecteerd.

Lieve Joris schreef in NRC over de roman:

Een verblindende afwezigheid van licht is een verschrikkelijk boek, geschreven in een taal die zindert van schoonheid. Net als de verschoppelingen in het Auschwitz van Primo Levi zijn de holbewoners van Tazmamart ontdaan van al hun waardigheid. De een pleegt zelfmoord, de ander wordt gek, een derde sterft aan verstopping, een vierde aan syfilis, een vijfde na het eten van oud brood dat vergeven is van kakkerlakkeneitjes.”

Arthur Koestler: Darkness at Noon (1940)

Schermafbeelding 2015-07-15 om 22.48.52

Afrekening uit 1940 van de Hongaarse ex-communist Arthur Koestler (1905-1983) met het stalinisme. Het individu mag de loop van de geschiedenis niet in de weg staan: Koestler laat zien hoe zijn marxistische wereldbeschouwing de gevallen en gevangen gezette Russische communistische leider Roebasjov ertoe brengt allerlei misdaden te bekennen die hij niet heeft gepleegd. ‘Een gevaarlijk boek’, vond de marxistische historica Annie Romein-Verschoor.