De hand van God zelf ligt straffend op hun huis

Op een gegeven moment had ik er vier. Want als je vrienden bij een tweedehands-boekenkraam een boek vinden met je voornaam als titel, dan kopen ze het. Zeker als het maar een paar gulden kost – er moeten in 1944 heel wat exemplaren van Cor Bruijns Arjen zijn gedrukt. In de loop der jaren zijn de meeste exemplaren uit mijn huis verdwenen, maar een exemplaar is er nog. Voorin staat: ‘November 1944’ en ‘N.S.B. -“buit” uit Heerenstraat’.

‘ N.S.B.- buit?’ Was ‘mijn’ boek fout in de oorlog?

Bruijn (1883-1978) in elk geval niet. Hij was een onderwijsvernieuwer die, aan de overzijde van het politieke spectrum, een eigen gedicht voorlas op de begrafenis van Nynke van Hichtum. Arjen speelt op Terschelling, net als Bruijns veel beroemdere Sil de strandjutter. Sil uit dat boek galoppeert in de beginscène langs op zijn ‘hors’ als Arjen Boer, de held van het verhaal, op het strand staat te kijken naar een vijftig jaar oud scheepswrak dat door het getij is vrijgewoeld. Arjen is wat we nu een Young Adult-roman zouden noemen: een niet te ingewikkeld boek over niet te oude mensen.

Maar, wow, wat werd er ook in het minder literaire segment wellustig geschreven! Taal-wellustig dan met zinnen als: ‘Hij zag Jiltje ook een keer alleen, gaande tussen het te velde staande graan.’ Het is het soort woordenliefde dat je eigenlijk niet meer aantreft bij schrijvers die jonger zijn dan, zeg, Hafid Bouazza. Waarbij Arjens werk op het land niet vrij is van een bonkig soort erotiek: ‘Driftiger jaagt Arjen zijn zeis door het vochtige gras. De kracht in zijn spieren zwelt aan bij het omleggen van zwade naar zwade.’ Inderdaad, een zekere gedateerdheid heeft het wel, maar aan de andere kant: Harper Lee is ook geen Elsschot.

De wereld die de young adults (Arjens love interest heet Japke) krijgen voorgeschoteld is er een van een in de loop van het verhaal als een zeestorm aanzwellend christendom. (Er woedt ook veel echte storm, trouwens). De volle vertwijfeling van het bestaan wordt samengebald als een man net twee kinderen heeft verloren en nu zijn vrouw ziet sterven: ‘Hij bidt genoeg. Hoe heeft hij om zijn kinderen gebeden! Maar het helpt niet. Het is de duivel niet, die hen kwelt. De hand van God zelf ligt straffend op dit huis.’ Inderdaad, de god van Cor Bruijn is geen feelgood-god.

Die God is allang van Terschelling verdwenen. Nu is het eiland het domein van young adults die muren van bierkratjes bouwen op de camping en alles doen wat God zo niet verboden heeft, maar toch in elk geval liever pas na sluiting van een huwelijk ziet gebeuren. In het boek vinden Arjen en Japke elkaar, maar Bruijn houdt het discreet: ‘Ze omhelzen elkander heftig. De duisternis neemt hen in haar zachte handen op.’ Hoewel: ‘Ze zien de tongen van het meivuur gretig naar boven lekken.’

In de zomer leest Arjen Fortuin boeken die al 20 jaar ongelezen in zijn kast staan. Deze week Cor Bruijns Arjen (1944)