Best ingewikkeld, die steun aan de Grieken

Vandaag debatteert de Tweede Kamer over de nieuwe steun voor Griekenland. Nederland zou tussen de 4 en 5 miljard euro uitlenen. Volgens Mark Rutte hoeven we hiervoor niet te bezuinigen. Hoe kan dat?

Wéér een paar miljard naar Griekenland. Daar gáát ‘onze’ belastingverlaging van volgend jaar. Dat is de teneur van wat veel critici zeggen over het nieuwe reddingsplan voor Griekenland.

Hebben ze gelijk?

Ter geruststelling zei premier Rutte maandagmorgen dat er door de nieuwe Griekse noodhulp in Nederland geen extra bezuinigingen nodig zijn. Geert Wilders geloofde er niks van. Hij twitterde diezelfde maandagochtend: „Hier bezuinigen en daar uitdelen.”

Hoewel de precieze bedragen nog lang niet vaststaan, circuleert als verondersteld Nederlands aandeel aan het reddingsplan een bedrag van 4 tot 5 miljard euro. En ja, dat komt inderdaad in de buurt van de 5 miljard aan lastenverlichting die het kabinet met Prinsjesdag zou willen presenteren.

Maar liggen die bedragen wel één op één op elkaar? Raakt, met andere woorden, de miljardensteun aan Griekenland de Nederlandse rijksbegroting?

Het antwoord is: nee, nauwelijks. Of in elk geval: nog niet.

Dat komt, het Nederlandse begrotingsbeleid wordt bepaald door wat het EMU-saldo heet, de Europese definitie van begrotingstekort (of begrotingsoverschot, dat kan ook). Dit tekort mag niet hoger zijn dan 3 procent van het bruto binnenlands product.

Er is een eenvoudig antwoord, maar ook een ingewikkelder

Tijdens de afgelopen crisis kwam Nederland een aantal jaren flink boven die strenge, Brusselse begrotingsnorm uit: ruim 5 procent in 2010. Dit noopte verschillende kabinetten tot ingrijpende bezuinigingen, voor in totaal ruim 50 miljard euro.

Maar volgens diezelfde Europese afspraken tellen noodzakelijk geachte interventies in de financiële sector (zoals de redding van ABN Amro en de nationalisatie van SNS Reaal) of steunoperaties binnen de eurozone níét mee voor het EMU-saldo. Die vallen dus buiten de reguliere begroting.

Dat is het meest eenvoudige antwoord op de vraag of de Griekse miljarden rechtstreeks uit de zak van de Nederlandse belastingbetaler komen.

Maar indirect raakt die noodsteun de rijksbegroting wel degelijk. Voor alle miljarden heeft Nederland immers geld moeten lenen op de kapitaalmarkten. Niet alles overigens, want het gros ervan bestaat uit garanties.

Het Nederlandse aandeel in de steun aan Griekenland bedraagt tot nu toe 16,4 miljard euro. Daarbij gaat het om de twee eerdere Europese reddingspakketten, uit 2010 en 2012, die in totaal op 183,8 miljard euro uitkwamen.

Daar komt ongeveer een half miljard bij voor het Nederlandse aandeel in de IMF-steun aan Griekenland. Alles bij elkaar gaat het om een kleine 17 miljard euro.

Alleen het eerste Europese pakket betrof een rechtstreekse lening aan Griekenland, voor Nederland: 3,2 miljard euro. De rest zijn garanties die via het noodfonds EFSF lopen.

Voor die 3,2 miljard euro is Nederland zelf leningen aangegaan, dat maakt de staatsschuld groter. Maar tegen de huidige lage rente drukken die leningen amper op de vaste lasten van Financiën. Tegen een marktrente van, zeg, 1 procent, bedragen die 32 miljoen euro per jaar. Op totale overheidsuitgaven van bijna 260 miljard euro is dat een miniem bedrag. Bovendien staan er de rente-inkomsten die de Griekse overheid verschuldigd is, tegenover.

Stel dat Nederland voor het nieuwe noodpakket inderdaad voor 5 miljard extra garant gaat staan, dan zal de totale ‘exposure’ op Griekenland straks 21,9 miljard euro bedragen. En daar hoeft niet direct nieuw geld voor te worden geleend, want het nieuwe noodfonds ESM is, zoals Rutte maandag zei, inderdaad al door de eurolanden gevuld.