Zero zag kunst in massaproductie

De Europese kunstenaarsbeweging Zero omarmde in de jaren 60 de consumptiemaatschappij. Tv’s, autobanden, daar maakten zij kunst van. Nu is er in het Stedelijk Museum in Amsterdam een overzicht.

Grenzeloos optimistisch en gedragen door een groot bevrijdingselan, zo was Zero. De kunstenaars van deze Europese beweging, van een generatie die rond 1930 geboren was, omarmden het nu. En het ‘nu’ van begin jaren zestig was vooral de opkomst van de moderne consumptiemaatschappij. De ‘Zeroïsten’, zoals Jan Schoonhoven zichzelf en zijn kompanen noemde, lieten zich inspireren door wat zij zagen als de schoonheid van het massaproduct, de schoonheid van de serialiteit van de lopendebandproductie, van nylon, chroom en formica en van „een heerlijk gevoel van plastic”.

„Alles was mooi. Alles was interessant. Eén groot oog, zo voelde ik me”, zei Armando toen hij in 1975 op deze tijd terugblikte.

Zero was de titel van een tijdschrift dat tussen 1958 en 1961 werd gemaakt door een Duitse kunstenaarsgroep van wie Heinz Mack, Otto Piene en Günther Uecker de kern vormden. Al spoedig werd Zero ook de overkoepelende naam van kunstenaarsgroeperingen in verschillende landen, zoals Nouvelle Tendance in Parijs en Nul in Nederland. De naam Zero duidt op een nieuw begin. Het is de zone, zei Piene, van stilte en van pure mogelijkheid, als bij het aftellen bij de lancering van een raket. De wereld, ja zelfs de kosmos lag open voor deze kunstenaars, zoals doorklinkt in het Zeromanifest uit 1963: „Zero is de stilte. Zero is het begin. Zero is rond. Zero draait zich. Zero is de maan. De zon is Zero. Zero is wit. De woestijn Zero. De hemel boven Zero. De nacht.”

Radicaal afstand van de 50’s

Er is nu een groot Zeroretrospectief in het Stedelijk Museum. De tentoonstelling, die 75 werken omvat, alsmede veel archiefmateriaal, tijdsdocumenten en oude filmpjes, is zeer goed ingericht. Elke zaal heeft een eigen thema, met werken in een bepaalde kleur. De eerste zaal bevat witte kunstwerken. Hier hangen witte reliëfs bijeen, zoals rasterreliëfs van Schoonhoven en Piero Manzoni en ook een monumentaal wandobject van Enrico Castellani dat al ruim vijftig jaar in de collectie van het Stedelijk is en zelden wordt getoond. De witte, kubusvormige kamer van herman de vries en Manzoni, door hen ontworpen in 1962, is nu voor het eerst gerealiseerd. De titel van het werk is Leeg en wie door een klein gat naar binnen kijkt, ziet een witte ruimte gevuld met licht.

In een andere zaal staan roterende en spiegelende reliëfs van aluminium – er is een zaal met reliëfs in rood, geel, groen en blauw van Yves Klein waar ook de ijsvitrine met witte vacht van nepbont van Henk Peeters te zien is, getiteld IJs-ijskast-ijsbeer. Heel mooi is een zaal die gewijd is aan ‘Nieuwe maakprocessen: snijden, branden, schieten’, met onder andere een Peinture de Feu van Klein en roetschilderijen van Piene en Peeters. Soms zijn opstellingen gereconstrueerd van de Zerotentoonstelling die in 1965 in het Stedelijk plaatsvond. Opnieuw is hier Armando’s zwarte wand met autobanden te zien, de wand met gestapelde bierflesjes van Jan Henderikse en de wand met plastic zakjes gevuld met water van Peeters. In alles is zichtbaar dat de tentoonstelling de uitkomst is van zorgvuldig historisch onderzoek.

De Zerokunstenaars namen radicaal afstand van de expressionistische schilderkunst en van het Grote Artistieke Gebaar van de jaren vijftig. Expressie, verheven kunst en persoonlijk handschrift waren achterhaald: het ging nu om een objectieve blik op de werkelijkheid, de dingen nemen voor wat ze zijn, de werkelijkheid registreren met een zakelijk oog, zo anoniem mogelijk. En niet langer zou die wereld door de kunstenaar worden afgebeeld of geïnterpreteerd, maar de werkelijkheid zelf was het materiaal van de kunst: licht, wind, spiegeling, ruimte.

Die objectiviteit was natuurlijk relatief. Nu, in onze digitale tijd, vallen vooral de handmatigheid en ouderwetse materialiteit van de objecten op, ze zijn in elkaar gefröbeld, lappen werden in gips gedrenkt, op doek geplakt en daarna wit geschilderd, kopspijkers met de hamer in het paneel geslagen zodat wervelende spijkercomposities ontstonden. Ook de formaten zijn meestal bescheiden. Ondanks de kosmische aspiraties zijn de meeste Zerowerken heel fysiek en gerelateerd aan het lichaam. Zerokunst heeft een herkenbare esthetiek van ordening en herhaling, maar nooit heel streng, altijd menselijk en imperfect. Schoonhoven, die zijn reliëfs ’s avonds aan de keukentafel vervaardigde in zijn bovenhuis aan het Vrouw Juttenland in Delft en die is uitgegroeid tot de beroemdste Zerokunstenaar, zei het veertig jaar geleden al: „Het is geen koele, cleane kunst. De sfeer is romantisch, door kleine onregelmatigheden.”

De laatste utopische avant-garde

Hoogtepunten in de Zerogeschiedenis waren drie tentoonstellingen in Nederland: één in het Haags Gemeentemuseum in 1964 en twee in het Stedelijk, in 1962 en 1965. De laatste markeert min of meer het einde van Zero als beweging. De organisatoren van de huidige tentoonstelling verbazen zich erover dat het volgens hen zolang heeft geduurd tot Zero geschiedenis werd en onderzoeksmateriaal voor kunsthistorici. Maar die verbazing is onterecht. Hoe goed het ook is dat er verder onderzoek naar deze kunst wordt gedaan, de aandacht voor Zero als historische beweging is allerminst een primeur. Er is altijd onderzoek naar Zero en naar de Nulgroep gedaan, en rond 1980 waren de uiteenlopende artistieke posities van de Zerokunstenaars, van wie de meesten toen nog volop aan het werk waren, al volledig uitgekristalliseerd. Nieuw is wel dat de prijzen van de kunstwerken inmiddels omhoog zijn gedreven. De hernieuwde belangstelling voor Zero wordt momenteel dan ook vooral gedreven door de markt. Niet langer kunnen de reliëfs van Schoonhoven opgefrist worden door er, naar de wens van de meester, even met de witkwast overheen te gaan. Evenmin kunnen ze nog gerestaureerd worden door er wat nieuw papier-maché tegenaan te plakken en dat bij te schilderen, zoals in het recente verleden veelvuldig en vaak met goed resultaat is gebeurd. Uiteindelijk is Zero toch Kunst geworden.

De tentoonstellingsmakers roepen in de catalogus de vraag op wat nu de historische erfenis is van Zero. Het antwoord is: Zero was de laatste utopische avant-garde van de twintigste eeuw. De Zerobeweging is daarmee het sluitstuk van de geschiedenis van het modernisme. De optimistische levenshouding waar deze kunst uit voort is gekomen, de gretige ontvankelijkheid voor een nieuwe tijd, inspireren nog steeds, er ligt een grote energie opgeslagen in deze kunstwerken. Zero is een levensfeest, zei Uecker, toen hij zijn plannen uiteenzette voor de grootse manifestatie Zero op Zee, die in 1965 plaats zou vinden bij de grote pier van Scheveningen. Zero op Zee is nooit doorgegaan, maar het levensfeest is op de tentoonstelling overal voelbaar.