Unieke vrijheid van sadomasochistische edelporno

De retrospecialist doet in ‘The Duke of Burgundy’ lesbische sm anno 1975: vrucht van wroeten in de vuilnisbak van de film.

Evelyn en Cynthia beleven eenteder moment in The Duke of Burgundy

Een vrouw in Victoriaans kostuum rijdt op een omafiets door het bos. Diffuus licht valt door de bladeren, er klinkt fluistermuziek met hijgkreetjes als percussie, de kleuren zijn wat grauw: edelporno uit de jaren 70? Dat lijkt erop, zeker als je deze Evelyn even later als dienstmeisje door een sleutelgat ziet gluren terwijl haar meesteres haar korset aanrijgt. En ze voor straf haar urine moet drinken.

Peter Stricklands zwart-komische, broeierige The Duke of Burgundy gaat over een lesbische sm-relatie op een planeet zonder mannen waar studie van vlinders een obsessie is. Die vlinders zijn geen metafoor, verzekert de Britse regisseur Peter Strickland (42) in Rotterdam, waar zijn film wordt vertoond. Eerder een half macaber, half sensueel detail – satijnzachte vleugels, kil glimmende spelden – die past binnen zijn troebele universum van satijn, velours en krakend leder. Waar niets is wat het lijkt: strenge meesteres Cynthia blijkt een onwillige sadiste die haar rol louter uit liefde speelt. Strickland: „Het gaat in mijn films minder om het scheppen van illusies dan om het ontleden van de mechanismen achter illusies. In sm kan de masochist de baas zijn; in elke relatie spelen macht, onderhandelen en concessies een rol. In zekere zin is dit ook een film over film: Evelyn is een regisseur die van streek raakt als haar actrice van het script afwijkt.”

Strickland, die in Berberian Sound Studio een ode bracht aan giallo, de hypergestileerde Italiaanse psychohorror van de jaren 60, sampelt ditmaal semi-artistieke porno van de jaren 70. Zijn inspirator is veelfilmer Jésus Franco, die indertijd alles draaide wat god verbood: vrouwen achter tralies, kannibalisme, Tiroler sekskomedies. Strickland: „Zo’n tien films per jaar, met sadomasochisme als rode draad. Franco en zijn bende outlaws waren altijd op de vlucht voor geldschieters en censors, smokkelden blikken film over de grens. Exploitatiefilms, maar niemand voelde zich uitgebuit, zijn acteurs bleven terugkomen.” Wat zijn werk interessant maakt, is de totale vrijheid. Strickland: „Bij horror was nog een verhaal nodig, suspense. Bij porno eiste de geldschieter alleen vijf, zes seksscènes en zag je maar hoe je de rest opvulde. Soms leverde dat iets unieks op.”

Soms ook niet: Strickland erkent dat zijn zoektocht door jaren-70-exploitatie wel iets heeft van „wroeten in een cinematografische vuilnisbak”. Is dat typerend voor zijn generatie filmmakers, dat zoeken naar parels in de mesthoop, die hang naar obscure retro? „Toen ik begon als filmmaker wilde ik sobere cinema maken. Jim Jarmusch, Bresson, Bergman. Toen kwam Tarantino: een bevrijding. Het was opeens oké je te laten inspireren door exploitatie. Smaakhiërarchie, een filmcanon: het viel weg toen via video en internet van alles beschikbaar kwam dat eerdere critici verwierpen. Ik vind dat vrijheid. Een verrijking.”