Column

Kracht ontlenen aan wat wél werkt in de EU

Ergens onderweg zijn wij Europeanen iets kwijt geraakt, iets essentieels, iets wat niet zo makkelijk te benoemen is zonder te vervallen in hoogdravende vaagheid. Ik doel niet op naïef idealisme of goedkope retoriek, maar op de overtuiging dat Europa betekenis heeft voor de wereld, dat in Europa aangetoond kan worden dat ondanks alle historische verschillen en vijandschap samenwerking en begrip mogelijk zijn, dat de overeenkomsten tussen mensen groter kunnen zijn dan de verschillen, dat onze geschiedenis ons een model heeft gegeven dat voor de hele wereld relevant is. Dát immers rechtvaardigt onze pretentie op een rol op het wereldtoneel. Hoe divers is Europa vergeleken met de VS of China, hoe veel oorlogen hebben we niet gevoerd, en toch zijn we hofleveranciers van het harmoniemodel geworden.

Niet het feit dat we een markt zijn van 500 miljoen consumenten, of dat we de grootste leverancier zijn van ontwikkelingshulp, maar onze ideeën legitimeren ons leiderschap. Waar andere grootmachten zoals Rusland, China en de VS de wereld bezien vanuit machtspolitiek en eigenbelang, laten wij er ons op voorstaan dat Europa anders is, een moreel kompas voor solidariteit en grootmoedigheid.

Zo leerde ik het toen ik als een van de eerste generaties eindexamen deed op een Europese School. Maar nu schaam ik me. Die visie is verworden tot morele hoogmoed. Europa is het continent dat al jaren onmachtig staat tegenover het Griekse failliet, dat bootvluchtelingen laat verdrinken en slechts mondjesmaat legaal asiel biedt, dat zijn voortrekkersrol op gebied van milieu en zorg verkwanselt en zich doldraait in bureaucratische regelzucht aangemoedigd door middelmatige, uitgerangeerde politici. Natuurlijk, dit doet geen recht aan de oprechte inspanningen van anonieme ambtenaren, maar het is wel wat Europa steeds vaker betekent. Wanneer zijn die Europese waarden verloren gegaan? Wanneer zijn politici opportunisten en erger geworden? Wanneer heeft de bevolking het hoofd in de schoot gelegd? Misschien is het begonnen in de jaren negentig met de wijdverspreide economische en politieke corruptie in Italië en Frankrijk, met als beruchte boegbeelden Craxi en Chirac. Met de dubieuze relaties tussen Frankrijk en de despoten in zijn voormalige koloniën in Afrika? Met de desillusie dat zelfs mensen uit de omgeving van Felipe Gonzalez en Helmut Kohl niet boven verdenking waren? Of kwam het later? Met de toelating van landen als Hongarije en Roemenië, waar de Europese waarden van persvrijheid en integriteit onhoudbaar bleken. Met de moeizame lokale verankering van de parlementaire democratie, met partijen die steeds meer geld nodig hebben om zichzelf en hun netwerken in stand te houden. En met de bureaucratie rondom de Europese integratie waar corruptie en incompetentie hoogtij bleken te vieren.

De Europese waarden bestonden vanaf 1950, verborgen in zakelijke verstandhouding tussen ongelijke staten. Schuman en Monnet twijfelden er niet aan dat de economische complementariteit tussen de Franse kolenmijnen en de Duitse staalindustrie moest uitgroeien tot een nieuw, Europees gevoel van solidariteit en integratie. Gebruiken wat werkt om iets groots te scheppen. Veel Europeanen snakken weer naar een moreel Europa, zelfs degenen die vinden dat Grieken of migranten streng moeten worden aangepakt. Het is geen toeval dat de aanklacht van de paus tegen sociaal onrecht en het verval van waarden zo resoneert. Dit is het moment om kracht te ontlenen aan wat wel werkt in Europa, het vrije verkeer van mensen en goederen, natuurbeheer en wetenschap. Moreel leiderschap zijn we kwijt, maar de fundamenten mogen we nooit verkwanselen.