Column

Wie winkelt er nog in Laren?

Normaal fietst ze van Blaricum naar Laren, twee kilometer, maar ze heeft last van haar knieën, dus is ze met de auto. Wat haar verontrust: dat ze meteen een parkeerplaats kon vinden. Zaterdagmiddag! Hoefde je vroeger niet te proberen. Vroeger kwam half deftig Nederland op zaterdag naar Laren om kleren te kopen, en moet je nou eens kijken. Of zie ik soms klanten naar binnen gaan bij Pauw, bij Modici, bij Claudia Sträter? En dan is het nog wel sale.

Een vriendin van haar had een boutique in De Smederij, maar ze is ermee gestopt. Ze moest haar huurcontract verlengen en wie kon haar zeggen of er over drie jaar nog íémand naar haar winkel komt? Iedereen koopt toch tegenwoordig via internet? Nou ja, zij zelf niet, maar haar dochters wel, en de vriendinnen van haar dochters ook. Drukbezette vrouwen met banen en kinderen. Die kopen hun kleren ’s avonds, klik, klik, via internet. Of in New York.

We staan vlak bij Hamdorff aan de Brink in Laren, vroeger een beroemd hotel annex tapgelegenheid waar de schilders van de Larense School samenkwamen, sinds de verbouwing een brasserie die tien jaar geleden modieus was. Er zitten drie mensen. De vrouw met wie ik praat is de zoveelste aan wie ik vanmiddag vraag of het waar is dat het in het winkelhart van Laren steeds stiller wordt. Je zou het op het eerste gezicht niet zeggen. Over de met beukenhagen omzoomde weggetjes langs de voormalige arbeidershuisjes en boerderijtjes verplaatst zich een ononderbroken stroom SUV’s en opgeblazen Mini’s. Dertigers lopen te flaneren met hun hoogblonde kinderen.

„Die kijken alleen maar”, zegt de vrouw. „En de auto’s rijden van het hockeyveld naar de golf en weer terug.”

Ze woont hier al jaren, ze was vroeger verpleegkundige. Getrouwd met een medisch specialist. Ze kan zo aanwijzen welke mensen van hier zijn en wie recente import is. Die van hier zien eruit alsof ze net nog in hun tuin aan het werk waren en even iets hebben aangeschoten om een boodschap te doen. De recente import heeft zich opgedirkt. En is op weg naar Loetje, waar je een biefstuk kunt eten zoals je die bij je moeder thuis at, gebakken in Blue Band, uitlekkend op een snee wittebrood.

Loetje. Ken ik uit Amsterdam, toen het nog een café met biljart was in de Johannes Vermeerstraat. De eigenaar, Ludwig Klinkhamer, was een slager die zijn voorheen bloeiende zaak in de Jordaan wegens teruglopende klandizie had moeten sluiten en toen een kroeg begonnen was. Later gooide zijn zoon het biljart eruit, zette er hippe tafeltjes voor in de plaats en ging er, behalve die biefstukken, schnitzels en kipsaté serveren, met friet en sla. Doorslaand succes. Paar jaar geleden interviewde ik vader en zoon, de zoon was toen al begonnen zijn concept uit te rollen naar de rijke dorpen rond Amsterdam.

Ik loop langs de Albert Heijn naar de enorme parkeerplaats waar Loetje pal naast zit, in een verbouwde boerenhofstede. Aan het dakgebinte hangen industriële lampen. De vloer is van graniet. Geruststellende Hollandse traditie gemengd met de illusie van relaxte onconventionaliteit. Het is er bomvol.