Wie slaag kreeg, wil weten waarom

Pedagoog gaat onderzoek doen naar geweld in de jeugdzorg, tussen 1945 en nu.

Als Micha de Winter op zijn kleinkind past, en hij zou het een tik op de billen geven, dan zou zijn dochter daar „een ernstig gesprek” met hem over willen hebben. Wat de hoogleraar pedagogiek met dit „theoretische” voorbeeld wil zeggen: ideeën over wat een goede opvoeding is verschuiven in de tijd. Net als wat we onaanvaardbaar geweld tegen kinderen vinden. En dat wordt een van de lastigste problemen van de nieuwe commissie die De Winter gaat leiden. De gisteren ingestelde club pedagogen, criminologen, historici en psychologen gaat onderzoek doen naar geweld in de jeugdzorg, van 1945 tot nu.

Waarom weer een commissie? De commissie-Samson heeft toch onderzoek gedaan naar de jeugdzorg?

„De commissie-Samson heeft heel specifiek onderzoek gedaan naar seksueel misbruik in de jeugdzorg. Er waren toen allerlei mensen die slecht behandeld waren, maar niet misbruikt. Zij vielen dus buiten dat onderzoek. Toenmalig staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie, VVD) heeft na gesprekken met slachtofferorganisaties toegezegd dat er ook onderzoek zou komen naar andere vormen van geweld. Seksueel misbruik was overigens vaak ook ingebed in een patroon van dwang en vernedering, en van fysiek geweld.”

Uw commissie doet ‘vooronderzoek’. Wat houdt dat in?

„Dit is in wezen een haalbaarheidsonderzoek. Deze commissie moet nagaan of het mogelijk is om betrouwbaar en zinvol onderzoek te doen naar psychisch en fysiek geweld tegen kinderen in rijksinstellingen en pleeggezinnen sinds 1945. Wat is er bijvoorbeeld te halen uit dossiers, archieven en aangiften? Waren er protocollen voor de behandeling van kinderen, of instructieboekjes? Bedenk wel dat er in een groot deel van de periode van dit onderzoek geen opleiding was voor mensen die in die sector werkten.

„De commissie gaat ook met slachtoffers praten. Dit soort zaken zal soms lastig te halen zijn uit archieven, of instructieboekjes. Als er bijvoorbeeld veel verhalen zijn over dezelfde instelling, dan gaan we daar naar kijken. Ik ga ervan uit dat mensen die verhalen niet los van elkaar uit hun duim hebben gezogen. Als het gaat om erkenning van wat mensen hebben meegemaakt, dan vind ik dat je de verhalen heel serieus moet nemen. Het gaat in dit stadium ook nog niet om het beoordelen van individuele gevallen, maar om het krijgen van een algemeen beeld. Aan het eind van dit vooronderzoek moeten wij het kabinet adviseren of het mogelijk is hier echt goed onderzoek naar te doen.”

Werd er in, zeg, 1950 niet heel anders gedacht over wat geweld jegens kinderen was? Een draai om je oren was toen niet ongewoon.

„Ja, dat is lastig. Het grootste gevaar is te vervallen in anachronismen. Dat je met de ogen van nu gaat kijken naar wat er toen is gebeurd. In de jaren 50 waren er vooraanstaande pedagogen die zeiden: opvoeden is het breken van de wil van het kind. Anders kreeg je onhandelbare kinderen. Maar dat betekent niet dat het goed is dat er kinderen waren die iedere week een pak rammel kregen. We hebben het over zaken als slaan, kinderen voor straf op blote voeten buiten in de sneeuw laten staan. En ook over psychisch geweld: kinderen vernederen in het openbaar, of langdurig treiteren. We weten van de commissie-Samson dat er ook kinderen werden opgesloten, dat ligt op het grensvlak van fysiek en psychisch geweld.”

Moet er een schadefonds komen?

„Daar gaan wij niet over. Maar in de gesprekken met Teeven hebben slachtoffers gezegd dat ze vooral uit waren op erkenning. En ik heb in gesprekken met slachtoffers ook gehoord dat ze vooral willen begrijpen wat er gebeurd is. Wat er in het hoofd van zo’n leider omging. En hoe het kon dat als dan uitkwam dat kinderen mishandeld werden, er toch niets gebeurde. Wat me ook opviel in de gesprekken die ik al heb gehad, is dat slachtoffers vooral willen dat dit onderzocht wordt, om te zorgen dat het nooit meer gebeurt.”

Over wie gaat dit?

„Dit onderzoek gaat over jongeren die onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in jeugdzorginstellingen en pleeggezinnen. Maar een van de zaken die in dit vooronderzoek aan de orde zullen komen is: wat moet de reikwijdte zijn van eventueel nader onderzoek? Kijk je bijvoorbeeld ook naar de vrijwillige plaatsing in een jeugdinstelling, die dus strikt genomen niet onder verantwoordelijkheid van de rijksoverheid plaatsvond? Kijk je naar jeugdgevangenissen? En hoe zit het met de jeugdpsychiatrie? Daar heb ik meer twijfel over, omdat daar de meeste plaatsingen vrijwillig zijn. Deze commissie gaat onderzoeken waar de problemen zaten. En zitten: het gaat ook over het heden. Over de vraag of het nu goed gaat in de instellingen. Er zijn wel meer regels, maar we gaan er niet automatisch van uit dat nu alles beter is.”