Van gouden kranen tot schimmel op de muur

Kakkerlakken in de kamer zijn verleden tijd in de Tour. Maar echte luxe? „Een hotel zonder wifi is een drama.”

Tourploeg ‘Zuid-West’ in 1955 met ploegbaas Paul Maye (l) en op bed (vlnr) renners Philippe Agut, Louis Bergaud, Georges Gay, Maurice Lampre en André Dupré. Foto Getty Images/Roger Viollet

Ergernis bij Lotto-Jumbo en irritatie bij enkele Franse ploegen: Team Sky, de Britse miljoenenploeg van geletruidrager Chris Froome, bezet met hun wagenpark elke avond alle parkeerplekken van de teamhotels. Tijdens deze Tour rijden er drie extra campers mee, alles bij elkaar een enorme karavaan.

Logisch, countert teambaas David Brailsford: als zijn renners niet in een camper mogen slapen, wat de internationale wielerunie UCI onlangs bepaalde, dan slapen de begeleiders daarin. Zo komt er voor de renners ruimte vrij in het hotel om rustig alleen op een kamer te liggen. „Je hebt er altijd die snurken”, zegt de Brit in de Franse krant L’Equipe. „Met één persoon per kamer is dat opgelost.”

Vroeger ging dat wel anders. Kamers zonder airco, met dertig man op een slaapzaal met kunststof wandjes of een gordijntje tussen de bedden: dat was in de jaren zeventig en tachtig heel gewoon voor renners in de Tour. „Als ’s nachts iemand naar de wc ging, werd zowat de hele zaal wakker”, zegt Leo van Vliet (59), profrenner van 1976 tot en met 1985.

Van Vliet lepelt nog wat externe factoren op die hem uit zijn slaap hielden: een snurkende maat, het intense geluid van krekels, een onrustige kamergenoot die wil kletsen (in zijn geval Jan Raas) en flink doorgezakte matrassen. Maar hij zegt ook: „We klaagden niet, we wisten niet beter.”

Toch moet het frustrerend zijn om op te staan met rugpijn als je die dag een belangrijke sportprestatie moet leveren. Maar wielrenners zijn inventief, zegt Van Vliet. „En niet zo verwend als profvoetballers. We kregen ook 23 dagen achter elkaar hetzelfde eten – een stuk vlees zo taai als een schoenzool, groene bonen en macaroni – en dat doopten we dan om tot Menu Sportif.” De haricots verts noemden ze toen Franse frietjes.

Hij herinnert zich een nacht met Raas in een hotel in de Pyreneeën: Jan had een deur uit een kast gehaald en die onder het matras gelegd zodat zijn bed minder doorzakte. Maanden later kwam er via Interpol een bericht binnen bij de ploegleiding: die deur bleek van een dure antieke kast te zijn en ze konden hem sinds de Tour nergens meer vinden. „Of wij wisten wat ermee was gebeurd.”

Sterwielrenners of niet

Zwetend in je bed naar het geluid van Franse krekels luisteren is verleden tijd: tegenwoordig gaat het raam dicht en de airco aan. De kwaliteit van de hotels verschilt gedurende de Tour: de ene keer logeert een ploeg in een tweesterrenpension, de andere keer in een kasteeltje met een sterrenrestaurant. De Tour-organisator, Amaury Sport Organisation (ASO), boekt en betaalt de hotels en verdeelt de kamers zo evenwichtig mogelijk: elk team zit een keer luxe en een keer basic, en iets ertussenin.

Het aantal kamers is per ploeg van 24 mensen (onder wie negen renners) hetzelfde: zes eenpersoonskamers en negen tweepersoonskamers. Soms maken de ploegleiders een kamerindeling, anderen laten het over aan de renners zelf. Als er een renner uitvalt, valt er ook een eenpersoonskamer af. Eventueel kan een team die wel behouden, maar dan moet ze die ook betalen.

Matras en locatie – soms dicht bij de finish en soms nog 100 kilometer rijden – zijn tijdens de Ronde van Frankrijk nog altijd onderwerp van gesprek. „De Tour is een slijtageslag en slapen is een belangrijke factor voor het herstel”, zegt Iwan Spekenbrink (39), directeur van team Giant-Alpecin. Het hele herstelproces is gericht op snelheid: na een etappe zo snel mogelijk douchen in de bus, een bord pasta eten, een recovery shake drinken en in het hotel gemasseerd worden. „Het is fijn als het hotel vlak bij de finish ligt, want reistijd gaat af van hersteltijd.”

Tegenwoordig is het slapen zeer goed geregeld, zegt hij. Een hotel kan zelfs bijzonder luxe zijn: „In 2009 sliepen we voorafgaand aan de start in Monaco op een bizar mooie plek, het Fairmont Monte Carlo, bekend van de Formule 1, het hotel boven op de tunnel. Lance Armstrong en Alberto Contador sliepen daar ook en het verhaal ging dat Bono met Armstrong kwam dineren in het hotel. Toen wisten we: beter gaat het deze Tour niet worden.”

Beter dan gouden kranen

Toch heeft een vijfsterrenhotel niet per se de voorkeur. „In 2013 sliepen we op Corsica in een leuk familiehotel, niet extreem luxe, maar wel op een rustige plek aan zee. Dat is eigenlijk het beste, zeker tijdens een rustdag. Hier kon de ploeg zich terugtrekken, het uitzicht was ontspannen en we dineerden aan een lange tafel op het terras. Die typisch Franse sfeer – pittoresk – is beter dan gouden kranen.”

Tom Leezer (29), renner bij Lotto-Jumbo, wil juist niet beginnen in een tophotel: „Als je in Utrecht in een vijfsterrenhotel ligt baal je, want dat wordt gecompenseerd. En dan lig je verderop in de Tour in Gap in een viezig aircoloos hotel met jarenzeventigvloerbedekking en schimmel aan de muren. Dan weet je: ik ga broeierige nachten tegemoet.”

Sinds een paar jaar sleept zijn ploeg eigen matrassen mee. „Bij elke grote ronde reizen twee jongens mee die in elk hotel de matrassen van de bedden halen en onze eigen erop leggen, inclusief dekbed en kussens”, zegt Erik Dekker (44), oud-prof en sinds 2007 ploegleider bij Lotto-Jumbo. In principe zijn coureurs gewend om op verschillende matrassen te slapen, daar worden ze vanaf de junioren al mee geconfronteerd. „Als je moeite hebt met slapen in een vreemd bed, is de kans klein dat je een goede wielrenner wordt. Je moet je leren aanpassen; als je alleen het eten van je moeder lust, kom je er niet.”

De meeste renners nemen de brakke hotels voor lief, als de kamer maar schoon is en het bed oké. „Dan maak ik er met mijn ogen dicht wel wat van”, zegt Dekker. „Het hoort bij onze sport; geen sterallures bij de wielrenners, weinig golfkarretjes en zwembaden. Tegenwoordig is het allerbelangrijkste: goede wifi. Een heel fijn hotel zonder wifi is een drama.”