Stam lijkt vooral af te willen reageren

Klopt het dat de verhalen van Jori Stam (1987) je in ‘verbijstering’ achterlaten, zoals zijn uitgever beweert? Het is een pompeus en breed woord, verbijstering. Iemand die erachter komt dat z’n auto is afgebrand kan verbijsterd zijn, maar iemand die net een auto in de loterij heeft gewonnen ook. Je zou het woord in het geval van Stam kunnen gebruiken, maar helaas voor de jonge debutant (1987) niet altijd in positieve zin. Zo ben je soms verbijsterd over het abrupte einde van een verhaal (‘nu al?’) en soms over het terugkerend sadisme waarmee hij zijn personages kwelt (‘nu alweer?’). Dat doet vermoeden dat hij het shockeffect ten onrechte voor het hoogste literaire effect houdt.

De bundel bestaat uit tien verhalen, die zowel in lengte als in kwaliteit sterk van elkaar verschillen. De kortste zijn amper voor publicatie geschikt. Er wordt vrijwel geen spanning in opgebouwd en het zijn eerder korte getuigenissen dan verhalen. Zo doet in ‘De Veluwe’ een man in kort bestek uit de doeken dat hij graag eenzame vrouwen vermoordt en begraaft. Tja, ieder z’n hobby, zullen we maar zeggen. Het enige dat verrast is de tip dat je boven het lijk een dood konijn moet begraven, zodat de speurhonden op een dwaalspoor worden gebracht. Stam weet waar hij over schrijft.

De personages staan er vrijwel allemaal miserabel voor. Soms werkt het lichaam tegen. Iemand bekijkt zichzelf na een hersenbloeding in een getinte ruit en stelt à la Hermans vast: ‘Mijn gezicht lijkt op een smeltende kaars.’ Meer cachet krijgen degenen bij wie de kwelling van geestelijke aard is. Een man in een treurig huwelijk probeert het aan te leggen met een knappe studente, maar hij verpest het door per ongeluk op de welbekende ‘Vind ik leuk’-knop te drukken bij een opwindende Facebookfoto van haar.

Het valt te prijzen dat Stam met zijn verhalen risico durft te nemen. Hij stapelt wending op wending en voor je het weet bevind je je door zijn toedoen in de meest vreemde omstandigheden. Doordat wraaklust, soms op het absurde af, een rode draad in de bundel is, ga je geboeid mee in de precies uitgedokterde moord- en verminkingsintriges.

Wél was de bundel met een wakkere redacteur beter af geweest, want de taalkeuze en logica van de schrijver zijn vaak op het dubieuze af. Als iemand zich afvraagt of hij een ander mens was geworden wanneer hij in Noorwegen was opgegroeid, volgt er een opsomming ergerlijke ‘Nederlandse’ fenomenen die ook gewoon in Noorwegen te vinden zijn. Een redacteur die van een schrijver wil weten hoe ver hij al is met dat nieuwe boek krijgt het antwoord dat ‘hij al maanden muurvast zit’. Dat is geen antwoord op de vraag, maar toch wordt er niet op ingegaan.

Maar gelukkig loop je bij deze auteur, die zich in zijn debuut vooral lijkt af te reageren, ook tegen betere zinnen aan. Over een neerslachtige tankstationmedewerker die naar de net bijgevulde schappen kijkt, schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Hij schrok van het tevreden gevoel dat hij van het beeld kreeg, omdat die tevredenheid misschien wel betekende dat dit leven bevredigend voor hem zou kunnen zijn.’