Column

Hoe Europa Athene al een beetje opgeeft

Landen zijn geen bedrijven. Landen kunnen niet failliet gaan en geforceerd hun laatste bezittingen verkopen om in elk geval nog een deel van hun schulden te voldoen, zoals bedrijven moeten doen als zij failliet gaan.

Landen kunnen wel stoppen met betalen, zoals Griekenland twee weken geleden zijn schuld aan het IMF niet meer kon aflossen. Wie op die manier in gebreke blijft, komt er natuurlijk niet zonder kleerscheuren vanaf. Niet betalen heeft allerlei consequenties, zoals mogelijke uitsluiting van het internationale handelsverkeer. Of het stempel van paria in internationale financiële gremia.

Een land is geen bedrijf, omdat een land één voordeel heeft dat bedrijven niet hebben: belastingheffing, zoals btw, loonbelasting, onroerendgoedbelasting. vermogensheffingen, AOW-premieheffing, rioolbelasting.

En toen kwam Griekenland. Afgelopen zondag en maandagmorgen hebben de bondgenoten van Griekenland in de eurozone een stap gezet die van een land in geldnood juist wel een bedrijf in geldnood maakt. Die stap is het privatiseringsfonds ter waarde van 50 miljard euro dat de eurolanden op initiatief van Duitsland als verplichting hebben opgelegd. Een van de vele verplichtingen in ruil voor een derde pakket leningen dat kan oplopen tot 86 miljard euro.

In dit privatiseringsfonds moet de Griekse regering waardevol staatsbezit onderbrengen. De Duitse onderhandelaars wilden dit fonds in Luxemburg stallen, maar dat ging de Grieken te ver. Begrijpelijk. Het zijn hún spullen. Het fonds blijft nu in Griekenland, onder Griekse leiding, maar wel onder supervisie van de „relevante Europese instituten” (Europese Rekenkamer?), zegt het maandagochtend gesloten akkoord van de regeringsleiders. De opbrengst van de privatisering van het staatsbezit moet gebruikt worden voor terugbetaling van leningen van het Europese reddingsfonds ESM én voor investeringen in Griekenland.

De eis van de geldschieters voor de oprichting van dit fonds is een onheilspellend signaal. De geldschieters willen onderpand voor hun nieuwe leningen. Zij missen vertrouwen, zij willen zekerheid. Kroonjuwelen.

Dat is precies de manier waarop banken, zoals in Nederland, omgaan met bedrijven in geldnood. In ruil voor voortzetting en soms zelf uitbreiding van hun kredieten, eisen zij de verkoop én de opbrengst van ‘kroonjuwelen’ van de debiteur. Neem het beursgenoteerde detailhandelsbedrijf Macintosh (schoenenketens Manfield, Dolcis) dat medio vorig jaar een aparte noodlening afsloot bij banken en enkele aandeelhouders. De aandelen van dochterbedrijf Kwantum (woonartikelen) dienen daarvoor als apart onderpand. Hoe eerder Macintosh Kwantum verkoopt, hoe sneller de schuld is afgelost. Als stok achter de deur stijgt de rente die Macintosh moet betalen na een aantal jaren.

Bestuurders, commissarissen, werknemers en aandeelhouders van bedrijven in nood accepteren zulke vergaande eisen van de financiers doorgaans omdat het anders afgelopen is met hun bedrijf. Weg banen. De zaak pleite.

Griekse politici en burgers gaan hiertegen mokken. Zij redeneren: dit is ons land en wij kunnen niet failliet. Maar de Europese geldschieters denken juist dat een Grexit nog steeds voorstelbaar is. Zij willen net als commerciële banken alleen zaken doen op basis van harde zekerheden.

Het onheilspellende is dat de geldschieters dus betwijfelen of de ook door hen geëiste verbeterde belastinginning genoeg extra opbrengsten oplevert om de leningen terug te betalen. Zij hechten dus steeds minder waarde aan dat wat een land onderscheidt van een bedrijf: de macht om belasting te innen. Anders gezegd: ze geven wel geld, maar ze geven Griekenland ook al een beetje op.