Goed slapen doet goed fietsen

De renners hadden gisteren tijd om te herstellen. Slapen is heel belangrijk. Lotto-Jumbo heeft zelfs jongens mee die de hotelmatrassen vervangen voor eigen exemplaren.

Zo ging het vroeger in de Tour: de renners met z’n allen in een grote slaapzaal in 1970. Foto Corbis/HH

Kamers zonder airco en met dertig man op een slaapzaal met kunststofwandjes of een gordijntje tussen de bedden: dat was in de jaren zeventig en tachtig heel gewoon voor renners van de Tour de France. Leo van Vliet (59), profwielrenner van 1976 tot en met 1985: „Als ’s nachts iemand naar de wc ging, werd zowat de hele zaal wakker.”

Van Vliet lepelt nog wat externe factoren op die hem uit zijn slaap hielden: een snurkende maat, het intense geluid van krekels, een onrustige kamergenoot die wil kletsen – in zijn geval Jan Raas – en flink doorgezakte matrassen. Zo herinnert hij zich dat Raas in een hotel in de Pyreneeën een kastdeur eruit had gehaald voor onder zijn matras, zodat zijn bed minder doorzakte. Maanden later kwam er via Interpol een bericht binnen bij de ploegleiding: die deur bleek van een dure antieke kast te zijn en ze konden hem sinds de Tour nergens meer vinden. „Of wij wisten wat ermee was gebeurd.”

Zwetend in je bed naar het geluid van Franse krekels luisteren is verleden tijd: tegenwoordig gaat het raam dicht en de airco aan. De kwaliteit van de hotels verschilt gedurende de Tour: de ene keer logeert een ploeg in een tweesterrenpension, de andere keer in een kasteeltje met een sterrenrestaurant. De organisator van de Tour (ASO) boekt en betaalt de hotels en verdeelt de kamers zo evenwichtig mogelijk: elk team, of er toprenners in zitten of niet, zit een keer luxe, een keer basic, en iets ertussenin.

Tegenwoordig is het goed geregeld

Het aantal kamers is per ploeg van 24 mensen (onder wie negen renners) hetzelfde: zes eenpersoonskamers en negen tweepersoonskamers. Soms maken de ploegleiders een kamerindeling, anderen laten het over aan de renners zelf. Als er een sporter afvalt tijdens de Tour, valt er ook een eenpersoonskamer af. Eventueel kan een team die wel behouden, maar dan moet het die ook zelf betalen.

Matras en locatie – soms dicht bij de finish en soms nog 100 kilometer rijden – zijn tijdens de Ronde van Frankrijk nog altijd onderwerp van gesprek tussen renners en ploegleiders. Joop Zoetemelk zei het al: de Tour wordt gewonnen in bed. „De Tour is een slijtageslag en slapen is een belangrijke factor voor het herstel”, zegt Iwan Spekenbrink (39), directeur van team Giant-Alpecin. Het herstelproces is gericht op snelheid: na een etappe zo snel mogelijk douchen in de bus, een bord pasta eten, een recovery shake drinken en in het hotel gemasseerd worden. „Het is fijn als het hotel vlak bij de finish ligt, want reistijd gaat af van hersteltijd.”

Tegenwoordig is het slapen behoorlijk goed geregeld, zegt hij. Af en toe komt een team in een omgeving waar de hotels wat minder zijn, maar de verhalen over kakkerlakken in de badkamer en elke dag macaroni met ketchup zijn niet meer van deze tijd. Een hotel kan zelfs bijzonder luxe zijn: „In 2009 sliepen we voorafgaand aan de start in Monaco op een bizar mooie plek, het Fairmont Monte Carlo, bekend van de Formule 1. Lance Armstrong en Alberto Contador sliepen daar ook en het verhaal ging dat Bono er met Armstrong kwam dineren. Toen wisten we: beter gaat het deze Tour niet worden.”

Broeierige nachten

Tom Leezer (29), renner bij Lotto-Jumbo, wil liever niet beginnen in een tophotel: „Als je in Utrecht in een vijfsterrenhotel ligt baal je, want dat wordt gecompenseerd. En dan lig je verderop in de Tour in Gap in een viezig aircoloos hotel met jarenzeventigvloerbedekking en schimmel aan de muren. Dan weet je: ik ga broeierige nachten tegemoet.”

Zijn ploeg sleept sinds een paar jaar eigen matrassen mee voor de renners. „Bij elke grote ronde reizen twee jongens mee die in elk hotel de matrassen van de bedden halen en onze eigen erop leggen, inclusief dekbed en kussens”, zegt Erik Dekker (44), ploegleider bij Lotto-Jumbo. In principe zijn wielrenners gewend om op verschillende matrassen te slapen, daar worden ze vanaf de junioren al mee geconfronteerd. „Als je moeite hebt met slapen in een vreemd bed, is de kans klein dat je een goede wielrenner wordt. Je moet je leren aanpassen.”

De meeste renners nemen de brakke hotels voor lief, als de kamer maar schoon is en het bed oké. „Dan maak ik er met mijn ogen dicht wel wat van”, zegt Dekker. „Het hoort bij onze sport; geen sterallures bij de wielrenners, weinig golfkarretjes en zwembaden. Tegenwoordig is het allerbelangrijkste: goede wifi. Een heel fijn hotel zonder wifi is een drama.”