De stem van de Tour de France móést bourgondisch leven

Een completer boek over de man die Nederland naar wielrennen leerde kijken, is er niet. Jean gaf Limburgse sjeu aan de Tour.

Jean Nelissen vertoeft bourgondisch in Chateau Neercanne. Foto Chris Keulen

Afgaande op de titel past Jean, over het leven van sportjournalist Jean Nelissen (1936-2010), in het rijtje met Kieft en Gijp. Boeken over complexe maar geliefde sport- en mediapersoonlijkheden, met een korte, krachtige naam op de omslag. Toch is deze biografie, door verslaggever Bart Jungmann van de Volkskrant, van een heel andere orde dan de twee NS Publieksprijs-winnende boeken van Michel van Egmond.

Jungmann bouwt aan een geduldige zoektocht naar wie Nelissen was: hij begint bij het papieren archief dat de man uit Geleen naliet en verhaalt daarna over zijn illustere laatste openbare praatje, in augustus 2009. Nelissen is dan nog een man die je niet zomaar benadert.

Daarna komt de lezer steeds dichterbij, samen met Jungmann zelf, die zich toestaat emotioneel betrokken te raken bij zijn onderwerp. Nelissen wordt De Neel, de man die met een geheel eigen kijk op sportjournalistiek flink bijdroeg aan de opmars van De Nieuwe Limburger en als NOS-commentator Limburgse sjeu gaf aan een Franse wielerwedstrijd. Hij koppelde encyclopedische kennis aan bloemrijke verhalen over de helden op de fiets.

Maar wat Jean écht goed maakt, is dat het daar niet bij blijft. Jungmann schetst ook het beeld van een man met (te) veel eergevoel, die primeurs van ondergeschikte redacteuren inpikte. Hij móést bourgondisch leven, ook als hij zich dat niet kon veroorloven. En hij dronk zichzelf genadeloos richting een roemloos einde toen de Tour hem niet meer nodig had.

Doordat gewag wordt gemaakt van dingen die Jean bij leven vertelde en die (ook volgens de auteur) waarschijnlijk uit z’n duim zijn gezogen, twijfel je als vanzelf ook bij andere delen die over zijn vroege leven gaan. Dat hij zijn eerste fiets bijeen sprokkelde door onderdelen te zoeken op de boerderij van zijn grootvader – is dat dan onomstotelijk waar, als Nelissen zelf de enige bron kan zijn geweest? Of dat hij op zijn achttiende bij toeval getuige was van de oprichting van de eerste betaaldvoetbalclub van het land, Fortuna ’54 ? Bovendien bestaat het middenstuk uit wel erg veel anekdotes, zonder dat er nog enige vaart in het levensverhaal zit.

Niet dat die anekdotes vervelen, dat niet. Ze zijn prachtig. Zo had Nelissen een hekel aan voetbalfoto’s waar de bal niet op te zien was, dus had hij een la met uitgeknipte ballen op verschillende groottes, om erbij te plakken als de waarheid niet voldeed.

Het definitieve verval zet veertig pagina’s voor het einde in. Nelissen verhult zijn drankmisbruik niet meer en als de NOS hem aan de kant zet, gaan de remmen helemaal los. De Neel heeft in De Avondetappe van Mart Smeets tussen 2003 en 2007 nog wel een dagelijks item, maar zijn lichaam is er zo slecht aan toe dat een close-up geen optie meer is.

Dit boek kon alleen na het overlijden van zijn naamgever geschreven worden. Nu de hoofdpersoon niet meer bij leven te kijk kan worden gezet, zijn zijn naasten open en eerlijk. Een completer en evenwichtiger boek over de man die Nederland naar wielrennen leerde kijken, is er niet.