Bevrijd

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Het was even schrikken, dat onverwachte telefoontje van Kate, een Amerikaanse vriendin van mijn zoon. Ze maakte een tussenstop op Schiphol. Omdat wij deze week in Amsterdam waren, kon ze misschien een paar dagen met ons optrekken?

De gedachte alleen al, zo’n beschermd meisje dat voortdurend door haar ouders in de gaten wordt gehouden, losgelaten in de City of Sin. Tijd voor een cultuurschok.

Nederlandse kinderen zijn bandeloos en brutaal, maar ze komen in alle onderzoeken steevast uit de bus als de gelukkigsten ter wereld. Vrijheid en geluk lijken goed samen te gaan. Het leven van Hollandse kinderen zegt waarschijnlijk meer over de aard van ons land dan eindeloze sociaal-economische analyses. En dat gedrag is niet van gisteren. Al in de zeventiende eeuw klagen Franse en Engelse bezoekers dat onze kinderen hun plaats niet kennen en zich als kleine volwassenen gedragen.

Het contrast met het Amerikaanse tienerleven is groot. In het Land of Liberty heeft de ouderlijke supervisie groteske vormen aangenomen, althans in onze omgeving. Menig vader of moeder speelt de rol van persoonlijke assistent van hun kinderen en beheert als een tijger de agenda. Van vermeende allergieën tot tennislessen, van leiderschapscursussen tot de lengte van de rok, alles wordt gemicromanaged. Nee, vanmiddag kan je niet spelen, want je moet nog wiskunde leren. En vroeg naar bed, want om 6 uur moet je opstaan om viool te studeren.

Tijd dus voor een spontaan experiment: hoe lang zou het duren voor het Amsterdamse stadsleven dit Amerikaanse laagje vernis bij onze Kate eraf zou slijpen? Ik waarschuw mijn zoon als hij haar van Schiphol ophaalt. Laat haar geen moment alleen, laat haar zeker niet zelf fietsen en al helemaal niet ’s avonds in het donker.

Nog wat verdwaasd zit ze met een kopje thee op mijn bank. Net als ik voorstel het vandaag maar een beetje rustig aan te doen, zegt ze: „Ik wil eigenlijk nu wel de stad in.” Ik kijk het tweetal na als ze de gracht uit fietsen, zij achterop het wiebelige zitje van mijn zoon. Hij had zijn band wel eens kunnen oppompen.

„Gaat het goed?”, vraag ik mijn zoon als ik hem een paar uur later bel.

„Uitstekend”, zegt hij. „We hebben het enorm naar ons zin.”

„Kom je wel op tijd thuis?”, vraag ik. „Vergeet niet dat Kate een jetlag heeft.”

„Ze is helemaal niet moe, mama”, zegt hij. „Ik neem haar mee naar een paar vrienden. Misschien blijven we daar wel slapen.”

Twee dagen en twee nachten later zie ik hen pas terug. „Amsterdam is great!”, glundert Kate met kleine oogjes en verwarde haarbos. Ze raakt niet uitgepraat over hun avonturen. Ze zijn naar Artis geweest en hebben de aapjes gevoerd. Ze zagen de zon opkomen na een lange avond uit in Paradiso. Ze hebben gepicknickt in het Vondelpark, zijn met een gammel bootje het IJ opgegaan en sprongen van de Rode Brug af in het koude water. Ze heeft een wrak van een fiets geregeld. „Kan ik lekker overal zelf heen”, zegt ze. Onder mijn ogen is Kate moeiteloos in een Amsterdams kind veranderd. Ze blijkt zich prima zonder haar moeder te redden. Dan pas zie ik wat bloed op haar arm.

„O, dat is niks”, zegt ze. „Ik fietste tegen een paaltje aan en toen viel ik.”

De schaafwond is gelukkig genezen als ze vertrekt. „Zeg maar niks tegen mijn moeder”, zegt ze. „Ze denkt dat ik nog een kind ben.”