Bartók is niet om bang voor te zijn

Redacteur Merlijn Kerkhof (28) laat iedere dinsdag zien wat de schoonheid is van klassieke muziek. Vandaag: muziek in de films van Stanley Kubrick.

Ik zal het maar toegeven: mijn lievelingsfilm is een horrorfilm. The Shining van Stanley Kubrick, gebaseerd op het boek van Stephen King, heb ik zeker tien keer gezien. Terwijl de plot toch niet zo denderend is (man gaat met gezin in verlaten hotel wonen, wordt gek want het spookt er, gaat vervolgens met bijl gezin te lijf, vrouw en zoontje overleven maar hij niet).

Hoe komt het dan toch dat ik steeds bij die film terugkom? Dat The Shining spannend blijft?

Stanley Kubrick was een buitengewoon cineast. De film zit vol scènes die je onmogelijk vergeet. Maar een van de dingen die deze film echt goed maken, is de muziek.

Kubrick was een meester in het samenstellen van soundtracks. Wie 2001: A Space Odyssey heeft gezien, zal nooit meer Johann Strauss’ wals An der schönen blauen Donau kunnen horen zonder aan een ruimtereis te denken.

De wals zorgt voor contrast. Het is vervreemdend, een tuttig stuk bij zo’n modern vaartuig. Maar uiteindelijk leidt het tot het tegenovergestelde: zo’n ruimtereis voelt door de vertrouwde muziek heel normaal.

Ook in The Shining zet hij muziek gewiekst in. De soundtrack zit vol moderne twintigste-eeuwse composities. Heel kenmerkend is het Adagio uit Muziek voor snaren, slagwerk en celesta (1936) van de Hongaar Bela Bartók (1881-1945), dat hij gebruikt als leidmotief. Het is telkens te horen voorafgaand aan een spannende situatie. Als je de muziek voor de tweede keer hoort, weet je: hier staat iets te gebeuren.

De muziek is op zichzelf al ijzersterk. Eerst hoor je de iele klank van een herhaald aangeslagen xylofoon. Dan: een paukenslag. Een paukenglissando: de doffe paukentoon glijdt naar een hogere doordat de spanning van het vel wordt beïnvloed. De strijkers zetten in en geven een onrustig vervolg. Na bijna twee minuten wordt het echt spannend. De hoge notenwisselingen van de violen geven je het gevoel alsof je ’s nachts door een veld met krekels kruipt. Andere violen zetten in met de celesta, het klokjesachtig klinkende toetsinstrument: een bloedstollende melodie. Atonaal: het voelt alsof er geen vaste grond onder je voeten is.

Bartók koppelt hemelse (celesta, harp) aan snerpende klanken (strijkers), schaart de piano, hoewel een snaarinstrument, onder de slagwerkers. Het resultaat is een magisch-paganistisch brouwsel dat een onbestemd gevoel kan geven.

Door zulke muziek vinden we de film ‘enger’. Maar het werkt net zo goed andersom: we associëren atonale muziek met ‘eng’ omdat de muziek vooral in horrors en thrillers opduikt. De eerste romantische komedie met Krzysztof Penderecki’s Polymorphia (zit ook in The Shining) moet nog worden geschreven.

Wie bang wordt van Bartóks stuk, moet de finale (Allegro molto) eens horen. Die opent met swingende volksdans. Het is een van die composities waarin heel Bartóks muzikale universum samenkomt. Luister maar. Ook zonder filmbeelden aanbevolen.