Column

Ambtenaar

‘We gaan gewoon niet! Niet, niet, niet!” Ik grijp een willekeurig object binnen handbereik en smijt het naar Bjorns hoofd. Met een klap spat het bordje uiteen tegen de muur. Daisy, onze dochter, begint te huilen. Haar favoriete ontbijtpap druipt in grote klodders langs de wand naar beneden. Bjorn staart verbijsterd naar het door oma beschilderde bordje, dat nu in twee scherven op de grond ligt.

Maar ik ben niet meer te stoppen: „Het dak staat op instorten, we hebben nog steeds geen huurders, geen visum, geen ticket, terwijl ik over drie weken al moet beginnen”, raas ik verder. „En jij zit de héle dag te zeiken over die kutbaan die je hiervoor opgeeft. Het grote slachtoffer, dat zijn carrière, zijn status opoffert. Je vergeet dat jij degene bent die zo nodig…” Ik word onderbroken door Vodafone. „Mijn telefoon”, valt Bjorn me in de rede. En loopt, duidelijk opgelucht, de kamer uit.

„HR”, zegt hij, als hij weer binnenkomt. „Contract voor onbepaalde tijd. En ik ga het doen ook. Niks Nieuw-Zeeland, en zéker niet afhankelijk van jou zijn.”

De rest van de ochtend ontlopen we elkaar. Maar rond een uur of drie hou ik het niet meer uit. „Sorry van het bord”, mompel ik. „Zullen we een stukje wandelen?”

Het is druk langs de Amstel. Half Amsterdam lijkt rond te hangen op het brede trottoir. En op het terras van café de Ijsbreker. Met een fles witte wijn en een bord oesters voor ons op tafel, is het bijna tropisch.

Terwijl Daisy naar ons lacht vanuit de buggy, realiseren we plotseling hoe mooi ons leven hier is. Allebei vier dagen werken, Bjorn een contract voor onbepaalde tijd bij de gemeente Hoorn, ik me inkopen in de huisartspraktijk in Amsterdam-Zuid, opa’s en oma’s in de buurt om op te passen, weekendjes weg naar Lissabon, Rome of mountainbiken in de Ardennen. Geen zorgen over hypotheek, huurders, visa, verbouwingen waar we niet bij zijn… Met elk glas wijn wordt het leven waar we zo graag uit weg wilden nóg een stukje utopischer.

Die avond lig ik wakker. Een vreemd leeg gevoel in mijn maag. Ik loop naar de keuken, eet twee gevulde koeken en kruip weer in bed. Rusteloos staar ik naar het plafond, tel tot 100 en weer terug, een keer of 8. Dan pak ik mijn laptop. Een nieuwe e-mail. Eén van de dokters van de praktijk in Nieuw-Zeeland stuurt me een sfeerimpressie: haar dochter op een paddleboard voor het huis, haar zoon in een kajak, spelend met een babyzeehond, een vriendenclubje op mountainbikes op een bergpas met een azuurblauwe zee op de achtergrond, het hele gezin met blote voeten en een gitaar op de veranda.

Daisy huilt. Misschien wordt het inderdaad niks, bedenk ik, terwijl ik haar uit bed haal. Geen normale baan te vinden voor Bjorn daar op het platteland. Moet ik extra diensten doen en hij appels plukken om onze hypotheek hier te betalen, terwijl het dak op instorten staat en niemand ons huis wil huren. Maar wat is het worstcasescenario? Dat we weer terug komen. En alsnog 30 jaar in Nederland ambtenaar en huisarts kunnen zijn.

Als ik de slaapkamer weer binnenloop, zie ik Bjorn betrapt mijn laptop dichtdoen. „Anne”, mompelt hij, terwijl ik me tegen hem aanschurk. „Ik ben toch liever een rommelaar dan een ambtenaar.”