Column

Zo zagen wij vroeger de ‘buitenlanders’

Zo ging integratie vroeger in Land van aankomst.

Ik begrijp dat ik mezelf niet populair maak als ik de week begin met een hooghartige opmerking. Maar ik dacht toch echt dat ik alles al wist over immigratie in Nederland, tot ik gisteren deel twee van de documentaire Land van aankomst zag. Logisch dat de driedelige serie, gemaakt door René Roelofs en Paul Scheffer, werd herhaald. Want over de multiculturele samenleving is veel gezegd de afgelopen vijftien jaar en ik kon er niet omheen – zie mijn naam. Maar deze oude beelden over die tijd, kende ik nog niet.

Aflevering twee gaat over het conflict tussen nieuwe en oude Nederlanders. Daar zien we nu alleen beelden van op sites als dumpert.nl, die zo geknipt zijn dat we vooral moeten lachen om al die ‘gekkies’. In Land van aankomst leer je het conflict begrijpen. Je ziet een kort gesprek met de kind van een gastarbeider, daarna een fragment uit een speech van Hans Janmaat, of zijn Britse versie Enoch Powell, mensen die je soms even vergeet. Al die korte fragmenten zijn op chronologische volgorde aan elkaar geregen. Veel verschillende beelden, zonder dat het verwarrend wordt.

Wiens stem horen we op de achtergrond? Is het Scheffer zelf? Gelukkig zegt hij weinig. Als een vrouw de tekst had ingesproken met die vreugdeloosheid hadden ze het opnieuw laten inspreken door een man. Ook is het jammer dat je wel ongeveer weet over welke tijd de fragmenten gaan, maar niet precies.

De beelden laten je, anders dan de geschreven verhalen over die tijd, ook zien dat de kinderen van de eerste generatie niet te onderscheiden zijn van de Nederlandse kindjes. Ze klinken precies hetzelfde, zijn hetzelfde gekleed. Nu gaat het alleen maar over de verschillen, daar wordt op gehamerd. Maar zo natuurlijk zijn ze dus niet. En trouwens, twee weken terug was ik een avond bij de rellen in de Haagse Schilderswijk: hoe langer je mensen spreekt, hoe kleiner de verschillen worden.

Grappig in Land van aankomst is een oude reclame die mensen aanspoort wat aardiger te zijn voor de buitenlanders. Ik wist niet dat het zo ver ging in die tijd.

Allergisch ben ik trouwens voor dat woord: ‘buitenlander’. De eerste keer dat ik het hoorde waren we net in Nederland, we waren uit Iran gevlucht. Die zomer ging ik met mijn vader naar het zwembad. Ik was alleen in het water toen uit het niets een jongen, die twee koppen groter was dan ik, op mijn hoofd sprong en mij onder water hield. ‘Vieze Turk’, schreeuwde hij. ‘Vieze Turk, je moet dood.’

Mijn vader legde me uit dat er mensen zijn die problemen hebben met buitenlanders. Ik begreep er niets van. Wij wonen toch binnen Nederland, dan kunnen we toch geen buitenlanders zijn?

Ik vind het gek, die innerlijke drift om groepen te vormen. Uit een idee van veiligheid. We zijn in conflict met wat niet op ons lijkt. Je bent toch echt veiliger als je ervoor zorgt dat al die groepen je willen beschermen.