Zjumbo

Bij het zwembad zat een hinderlijke vlieg die ik maar niet tussen twee pagina’s gevangen kreeg. Iedere keer als ik mijn boek dichtklapte, was hij gevlogen.

Vanaf de idyllische heuvel keek ik uit

over het dal. ‘La douce Provence’ op zijn mooist. Snoeiheet, groen, een rustende mistral, aardbeienjam met munt. Ik hees mezelf overeind; het was tijd om de ploegentijdrit te kijken. Dat mocht in het huis van de eigenaar van het landgoed.

De man had niks met de Tour de France. En eigenlijk ook niet met zijn televisietoestel. Hij keek nooit. Of ja, toch wel. Die laatste keer dat het profpeloton beneden door het dal reed – een jaar of vier geleden – was hij op de heuvel gebleven. Hij wilde zijn dorp Montbrun-les-Bains graag vanuit de lucht zien.

„Onzin, die Tourpassage”, zei hij. „Eerst gooit die reclamekaravaan twee uur lang allemaal Chinese rotzooi over de weg en dan zijn die wielrenners in een zucht voorbij.”

Inmiddels had hij de televisie aan de praat. De Franse commentaar sprak net het woord ‘Zjumbo’ uit. Robert Gesink en zijn mannen verlieten het startpodium.

De eigenaar liet me alleen. Tijdens het verslag werd het woord ‘tgv’ gebruikt voor wielerploegen die als treintjes over het asfalt reden. In veel gevallen bleven de wagons niet in een rechte lijn; soms brak de kabel al na tien kilometer fietsen.

Ploegleider Peter Post kroop even vloekend uit zijn graf.

De eigenaar bracht een glas appelsap. Geen alcohol tijdens een wielerwedstrijd, moet hij gedacht hebben.

Zijn verhaal over die passage van de Tour was nog niet af. „Terwijl iedereen aan de weg stond, keek ik hier televisie. Ik nam een slok uit een glas, gleed er een bij mee. Je hebt hier 37 soorten bijen in de omgeving. Ik hield ze ook. Dit was een Italiaanse bij. Zwart lijfje, heel actief.”

Om een lang verhaal kort te maken: de eigenaar werd in zijn slokdarm gestoken en heeft een uur naar adem moeten happen. De hele passage van de Tour gemist.

Ik keek naar de laatste tijdritten. Nairo Quintana reed sterk, op een helling moest bijna zijn hele ploeg lossen. Tejay van Garderen had met BMC de juiste stroomlijn te pakken. En Chris Froome, de Keniaanse bidsprinkhaan – om in insectentermen te blijven – reed zoals hij altijd rijdt: lelijk en hard.

De ploegentijdrit was afgelopen. Op tv kwam een roofvogel in beeld. Hij zweefde zonder zijn vleugels te bewegen op de thermiek. Wat een rust vergeleken bij het woeste stampen op de pedalen.

„Hebben we gewonnen?”, vroeg de eigenaar.

Ik wist er geen antwoord op. Hij weet iets van de natuur, ik van de Tour.