Minder bureaucratie betekent bij politie meer discriminatie

Na de rellen in de Schilderswijk is er behoefte aan duidelijke instructies en regels voor agenten, schrijven Sinan Çankaya en Paul Mutsaers.

‘Mijn doembeeld is Ferguson”, schreef korpschef Bouman in een interne blog. De rellen in de Haagse Schilderswijk mogen dan ook niet verbazen, er waren voldoende signalen over een verstoorde relatie tussen de politie en migrantenjongeren. Jarenlang hebben wij onderzoek verricht naar de politieorganisatie. Onze conclusie: er is sprake van structurele discriminatie binnen en door de Nederlandse politie.

In de reacties op de zaak Mitch Henriquez beroept men zich veelal op het volgende argument: omdat het alledaagse politiewerk zo ingewikkeld is, moeten agenten wel overgaan tot vereenvoudigingen in een alsmaar complexere wereld. Dit kan leiden tot discriminatie. Wij gaan mee met deze redenatie, maar willen deze in een bredere context plaatsen.

Ten eerste ontwikkelt politiediscriminatie zich in een migrantvijandig kader van beleid, wetgeving en politiek. Journalisten, wetenschappers en politici komen steeds meer tegemoet aan de roep om repressie door in ferme taal zondebokken te creëren van migranten. Deze socio-politieke druk op agenten maakt hun werk inderdaad complexer. Ook heerst het sentiment dat de overheid de controle in bepaalde wijken heeft verloren. De staat wil zich revancheren door de straat te heroverwinnen, omdat die zogezegd gekaapt wordt door snotneuzen, overlastgevers en ‘achterlijke gladiolen’ die het gezag niet aanvaarden. Mannelijke migranten worden voortdurend afgeschilderd als een bedreiging voor de Nederlandse cultuur, orde en veiligheid. In ‘witte’ en vermogende wijken is reeds de aanwezigheid van ‘zwarte’ lichamen een normovertreding.

Vanwege deze bredere context kan politiediscriminatie niet worden gereduceerd tot de individuele besluiten van straatagenten. Toch is dat juist de beleidsreactie van de politieorganisatie. In persoonlijke ontwikkelingsplannen en bewustwordingstrainingen wordt agenten geleerd hun eigen ‘authenticiteit’ te ontdekken en om niet te discrimineren. Door deze psychologisering ontwikkelen ze particuliere ideeën over fundamentele vragen van het alledaagse politiewerk, zoals: wat is rechtvaardig en hoe ben ik effectief als agent? Wanneer deze personificatie leidt tot discriminatie wordt het vraagstuk logischerwijs gezocht in het hoofd van de agent en niet in het beleid, waaronder discriminatoire werkopdrachten, de verruiming van handhavingswetgeving, zoals de Wet ID of organisatiekenmerken. Door het probleem te psychologiseren en te individualiseren, zuivert het instituut zich van blaam.

Een derde belangrijke trend is de verschuiving van straf- naar risicomentaliteit: van concrete individuele normovertreders naar risicovolle groepen die preventief moeten worden gecontroleerd en die steeds vaker cultureel worden gedefinieerd. Deze ontwikkeling heeft een cruciale overeenkomst met het integratiedenken: in beide gevallen ligt het probleem bij de etnische minderheidsgroep, waarmee elk (vermeend) lid van die groep potentieel gevaarlijk en burgerschapsonwaardig is.

De opkomst van een risicomentaliteit loopt parallel aan een grootschalige reorganisatie, een vierde contextfactor. De agent heeft te maken met ontbureaucratisering die protocollen en regelgeving wegsnijdt, terwijl die juist houvast kunnen bieden voor straatagenten. Straatagenten hebben behoefte aan duidelijke instructies. Zelfsturing is niet voor elke publieke instantie geschikt; zeker niet wanneer deze wordt gekenmerkt door een geweldsmonopolie.

Wij hebben veel agenten leren kennen die op humane en professionele wijze omgaan met alle mensen. Maar we laten ons niet verleiden door de psychologisering zoals hier beschreven. De hiërarchie van positief en negatief gewaardeerde burgers vindt zijn oorsprong in een bredere politiek-maatschappelijke context; de politieorganisatie speelt een structurele rol in het uitsluiten van mannelijke migranten, uit voornamelijk de lagere klassen, die niet bij het gedroomde Nederland mogen horen.

Er is behoefte aan een sociologische inbeelding waarbij individuele besluiten en voorkeuren van gezagsdragers weer worden begrepen als collectieve, publieke kwesties. Er is behoefte aan robuuste, bureaucratische interventies vanuit de Nationale Politie en het bestuur: directief, verticaal en in lijn met de wet om politiediscriminatie tegen te gaan. Ook is behoefte aan een duidelijke afbakening van politietaken en een scheiding van persoon en ambt. De verantwoordelijkheid van politiediscriminatie kan niet worden gedeponeerd bij de straatagent. Daar is het onderwerp te complex voor.