Column

Machines om te lachen

David Foster Wallace, de schrijver, kon als tiener goed tennissen. Echt goed. ‘Near great’ zoals de Amerikaan zelf schreef. De passages in zijn werk over tennis zijn de beste die over de sport zijn geschreven. In een verhaal over Tracy Austin, nummer één in het vrouwentennis in 1980, schreef hij treffend over de reine geest van tennistoppers.

Hij begreep de eeuwige vraag naar „wat er omgaat” in spelers op beslissende momenten, zeker „te midden van een brullend vijandig publiek”. Maar het antwoord zou wel eens kunnen zijn, aldus Foster Wallace: „helemaal niets”.

Hij kon het weten: de tieners met wie hij speelde die later doordrongen tot de mondiale toptien van het proftennis, toonden allen de mysterieuze genade van het totale niets tussen de oren.

Door persoonlijke omstandigheden (ik maak me er graag makkelijk vanaf) heb ik de afgelopen weken uren tennis gekeken. Echt, uren. Beter: dagen. Dat begon al ver voor Wimbledon, het toernooi dat gisteren eindigde.

Ik moest vaak aan Foster Wallace denken. Het zijn hersenlamme sporters. Of, meer in het vocabulaire van de sportcommentator: machines. Vreemd is dat niet, consistentie is immers het belangrijkste wapen van de tennisser. En juist daarom valt die enkele uitzondering zo op. Zoals Kyrgios, die Australiër. Hij gaf een paar punten weg en gooide af en toe met zijn racket. Kortom, een mens.

Wat ik zelf het mafste neveneffect vind van die emotieloze tennissers, is de gretigheid waarmee het publiek een enkel klein gebaar of grapje apprecieert. Geen publiek dat zo hysterisch en overdonderend kan lachen om bijna niets als het tennispubliek. Zelfs Toon Hermans moest harder zijn best doen het publiek aan het lachen te krijgen.

Terwijl: grappig zijn ze niet. Oké, de huidige nummer één van de wereld, Novak Djokovic, heeft een paar geestige imitaties van collega’s in zijn repertoire, vooral van Maria Sjarapova en Rafael Nadal (veel getrek aan het broekje tussen de billen). Maar verder is het toch vooral heel klein, heel flauw. Pruik op, dansje op de baan; dat werk. Kijkt u zelf, via de populaire YouTubefilmpjes Djokovic’ Hilarious Moments. Drie afleveringen maar liefst.

Eigenlijk levert John McEnroe het grappigste moment in een van deze filmpjes. Tijdens Djokovic’ amateurcabaret merkt hij op, droog en ogenschijnlijk bloedernstig: „That’s some good solid imitations”. Je beseft direct: McEnroe is eigenlijk de enige normale kerel in dat stadion. Hij weigert iets „hilarisch!” te noemen dat het niet is.

Opvallend genoeg was ook deze Amerikaan de laatste nummer één van de wereld die menselijke trekken vertoonde. Hij schold wel eens tegen een umpire. De pers, zeker de Nederlandse, meende daarom dat hij zich misdroeg.

Dat harde oordeel over McEnroe zei vooral iets over de transformatie die kijkers ondergaan na het zien van zoveel geestelijke afstomping (sorry, onmenselijke zelfdiscipline) die het toptennis biedt. Beroepskijkers zijn het verste heen. Trekt een speler een wenkbrauw op, dan luidt het commentaar dat hier sprake is van „emotie”. Maakt hij een lichte buiging na een punt (Gaël Monfils deed dat vorige week) dan is hij „een showman”. Ik geloof dat ik net op tijd ben gestopt met kijken.