Een voorwaardelijk akkoord vol gestold wantrouwen

De voorlopige Griekse deal omvat 82 miljard tot 86 miljard euro, maar de voorwaarden worden draconisch.

Vijftig miljard euro, zo hoog werd het bedrag geraamd dat Griekenland zou kunnen ophalen met privatiseringen van staatsbedrijven en ander overheidsbezit.

Dat was niet vanmorgen, na afloop van het marathonberaad over de Griekse crisis. Deze schatting stamt al van vijf jaar geleden, ten tijde van de eerste grootschalige financiële redding van het land.

Er is vrijwel niets van gekomen. Maar de vijftig miljard aan privatiseringsopbrengsten circuleert nu toch , ditmaal als onderdeel van reddingsplan nummer drie. Geen wonder dat nu een apart fonds, onder toezicht van de Europese instellingen, is afgedwongen dat de privatiseringen gaat afhandelen en in de tussentijd de staatsbedrijven runt als ze nog niet verkocht zijn. Dat kan lang gaan duren: het Internationale Monetaire Fonds (IMF) schatte vorige maand nog dat een half miljard opbrengst per jaar realistisch is.

Hulp banken is acuut

Het privatiseringsfonds is er om tussen de 82 miljard en 86 miljard euro aan nieuwe financieringen voor Griekenland mee af te betalen. 50 miljard daarvan, die worden voorgeschoten door het Europese Stabiliteitsmechnisme (ESM) zijn hard nodig. 12,5 miljard ervan gaat naar schuldreductie, 12,5 naar bevorderende maatregelen voor de economische groei en 25 miljard naar een herkapitalisering van de Griekse banken.

Dat laatste is acuut: de Europese Centrale Bank staat de Griekse centrale bank toe om de Griekse banken te voorzien van noodgeld (emergency liquidity assistance, of ELA). Dat bedrag liep sinds het aantreden van de regering-Tsipras op tot 89 miljard euro, maar werd twee weken geleden door de ECB bevroren op dat niveau.

Pas als de Griekse staat en de Griekse banken solvabel genoeg werden geacht, kon ELA verder omhoog.

De deal vanmorgen zou afdoende moeten zijn voor de ECB om de noodsteun nu iets op te hogen, zodat de Griekse banken morgen hun activiteiten deels kunnen hervatten. Al zal dat vermoedelijk weinig meer zijn dan het hervatten van de maximum uitgifte van 60 euro per dag uit geldautomaten en minimale bankdiensten.

Acuut is ook de aflossing volgende week van 3,5 miljard aan Griekse staatsobligaties in bezit van de ECB. En bovendien is er bijvoorbeeld ook nog de betalingsachterstand van 1,5 miljard euro aan IMF-leningen. Daar is bij elkaar overbruggingsfinanciering voor nodig van 7 miljard. Dit geld kan komen van nóg een afkorting die bij het Europese publiek onbekend zal zijn: het Europese Financiële Stabiliteitsmechanisme (EFSM). Dat is een fonds van 60 miljard euro van de Europese Commissie. In augustus volgt een krediet van nog eens 5 miljard euro.

Het EMS-geld (50 miljard) en de overbruggingskredieten tellen niet op tot de 82 à 86 miljard aan financiële steun waarover de regeringsleiders het vanmorgen met Griekenland eens werden. Dat is, in het licht van de status van het akkoord niet verwonderlijk: wat er vanmorgen is afgesproken is niets meer dan een raamwerk voor verdere onderhandelingen.

Alles is dan ook voorwaardelijk en afhankelijk van daadwerkelijke vorderingen in Griekenland zelf. De voorwaardelijkheid geldt ook voor de ‘olifant in de kamer’ van onderhandelingen: schuldreductie. Die zal noodzakelijk zijn, maar wordt pas besproken als blijkt dat Athene zich aan alle afspraken houdt. Zelfs dan zal van daadwerkelijke (nominale) vermindering van schulden geen sprake zijn. Gekozen wordt voor langere looptijden, latere aflossingen en lagere rentes.

Om een ‘objectieve’ scheidsrechter in het veld te houden zal Griekenland in 2016 opnieuw steun aanvragen bij het IMF, als het bestaande programma afloopt. Dat tekent het enorme wantrouwen tegen Griekenland, dat nog lang niet verdwenen is, maar vanmorgen slechts is gestold in het document dat de regeringsleiders van de eurozone moeizaam overeen kwamen.