De titanenstrijd waar je op hoopt

Op de veertigste editie werden oude muzikanten geëerd en waren opvallend veel pianisten. Jazzinnovatoren Herbie Hancock en Chick Corea overtuigden in een avontuurlijke dialoog, net als in 1979.

Lastig bijna om je voor te stellen hoe in de beginjaren van North Sea Jazz in drie dagen negenduizend bezoekers langs kwamen. Want dat is tegenwoordig wel anders. Het uitverkochte aantal van zeventigduizend in een weekend wordt, zeker de laatste jaren al weken van tevoren, moeiteloos gehaald.

North Sea Jazz Festival, dit weekend voor de 40ste keer in alle heerlijke hevigheid, was voor de jazz een feestelijke, nostalgische editie. Muzikanten die er vanaf de eerste editie zijn geweest, werden geëerd. Bands kijken was op North Sea Jazz was als vanouds heen en weer hollen tussen dertien podia, verspreid in en rond Ahoy. Na tien jaar in Rotterdam zijn de sluiproutes wel bekend, en worden knelpunten jaarlijks veranderd en verbeterd. Het was wederom een omvangrijk programma waaraan de nodige hoofdbrekens aan vooraf gingen: zo’n 65 optredens per avond, een keuze maken was eigenlijk een onbegonnen zaak. Zeker wanneer grote topacts uit de jazz en pop recht tegenover elkaar stonden, zoals Avishai Cohen en D’Angelo de eerste avond.

Wie de bekende acts links liet liggen en op zoek ging naar avontuur, vond veel pianisten. In de kleine zalen goochelden musici met intensiteit, ritme en harmonie alsof het niets was. Naast optredens van musici als jazzdrummer John Engels die ook op de eerste editie in 1976 optraden, stond vooral de jazzpiano centraal met toetsenstrelers en klavierbonkers in alle kleuren.

Dat begon met de vloeiende muzikaliteit van het nieuwe Amerikaanse talent Jarrod Lawson, met zijn kraakheldere blue eyed soul met Weather Report-achtige fusionjazz-elementen een makkelijke pianist die geen wonderen verrichtte. Lawson moest het vooral hebben van zijn stem die ogenblikkelijk raakte: een breed dragende tenor die ver reikte en droop van emotie.

Bij de Vlaamse pianist Jef Neve raakten verbeelding en diepgang elkaar. Zijn uitvoering van Joni Mitchell ‘Case of You’ was intens en van grote schoonheid.

Ook sterk: Gideon van Gelder die met verve stukken speelde van zijn album Lighthouse. Pianist Jeroen van Vliet ging de diepte in met een fraai soloconcert , terwijl nieuwkomer Thomas Encho indruk maakte met zijn opzienbarende pianotrio. De titanenstrijd - met jazzinnovatoren Herbie Hancock en Chick Corea die in dialoog langs alle genres gingen, net als in 1979 op North Sea Jazz - was het concert waar je op hoopte: avontuurlijke jazzverkenningen waar spelplezier en kwaliteit vanaf spatte.

Veel nieuwe jazznamen op dag twee

De tweede festivaldag was geen dag van grote uitbundigheid, wel van kwaliteit. Het was een taaier programma voor de gemiddelde bezoeker wegens de vele nieuwe namen. Maar ook bands die tot het North Sea-'meubilair' behoren maar niettemin speelden alsof er iets veroverd moest worden, zoals het kwartet van saxofonist Wayne Shorter dat vond en zocht in abstracte vormen.

Een van de hoogtepunten was The Bad Plus met Joshua Redman; een combinatie van grootmachten die elkaar behoorlijk versterkten. Een fantastisch concert, waarin het machtig was om te zien hoe het eigenzinnige jazztrio, met de saxofonist die als mainstream superster geldt, de diepte in ging. Ze begrepen elkaar helemaal, gaven elkaar de ruimte, cirkelden om elkaar heen en sloegen melodieën stuk. Zeker het laatste nummer, dat zich van een ballade ontwikkelde naar een powerstuk, had de kracht van een tornado.

Nieuwe namen worden opvallend snel groot op dit festival. De Israëlische trompettist Avishai Cohen, niet te verwarren met de gelijknamige bassist die vrijdag speelde, ging in een jaar van de kleine Yenisei-zaal naar een uitpuilende Hudson. De intieme lyriek met zijn trio was mooi, maar ontbeerde persoonlijkheid in het spel. Nee, dan het drummen van oudgediende en trouwe Wayne Shorter-kompaan Brian Blades. Onwerkelijk met hoeveel energie hij naast zijn rol in het concert met Shorter, speelde met zijn eigen Fellowship Band, en het spelplezier ervan af spatte. Glunderend gaf hij de maat, uit zijn stoel springend van genot, en foeterend als de monitor weigerde.

Het ging er formeler aan toe in de statige Amazon-zaal, waar Dee Dee Bridgewater met een orkest traditioneel New Orleans-repertoire nieuw leven inblies. De Amerikaanse jazzvocalist Kurt Elling, de bariton die met zijn buigzame stem langs maar liefst tot vier octaven komt, maakte indruk met zijn versie van U2’s ‘Where The Streets Have No Name’.

Het plusconcert van zanger Jamie Cullum, waarvoor extra diende te worden betaald, bleek een show dat weliswaar een jazzinsteek had maar snel doorgleed naar zijn blijmoedige popjazz, onderweg slechts een paar maten improvisatie meepikkend.