De EU is te arm om de boel bij elkaar te houden

Budget EU (1 procent bnp) is niets vergeleken met dat van VS (22 procent), ziet Karel Lannoo.

Griekenland balanceert aan de rand van de financiële en economische afgrond. Waar de impact tot nu toe vooral op macrovlak speelde, verplaatst deze zich nu naar microniveau – zie de sluiting van banken. Het financiële systeem komt tot stilstand. Hoe zoiets kan gebeuren in een lid van de EU en de euro, tart alle verbeelding. Enkel een grondige hertekening van het functioneren van de EU-instellingen, kan het vertrouwen herstellen. Zo niet gaan we onderuit.

Het domino-effect van een Grexit zal vooral politiek zijn. De manier waarop Tsipras erin slaagde vanuit een ‘underdog’-positie het Europese establishment te ondermijnen, schokt alle politieke geledingen. Andere Europese staten staan machteloos tegenover het pokerspel van één regering in één staat.

Waar het monetaire beleid door één Europese instelling uitgevoerd kan worden, blijkt dat lidstaten voor het budgettaire-financiële luik zich achter hun soevereiniteit verschansen. Dit leidde de voorbije dagen tot vele bijeenkomsten van regeringsleiders en ministers van Financiën. Blijkbaar zijn we niet in staat tot een efficiënter systeem van besluitvorming. Wat de Griekse regering deed, ging tegen het Europese belang in. Daartegen had men moeten kunnen optreden.

Middenin die Griekse crisis, op 22 juni, brachten vijf presidenten van Europese instellingen een rapport uit over verdere integratie, doch de grote vragen over een meer financiële of politieke unie werden niet of nauwelijks besproken. Rapporten van Van Rompuy deden dat wel, bijvoorbeeld met voorstellen tot verplichtingen in budgettair beleid. Maar met het milderen van de soevereine crisis, verminderde ook de noodzaak tot institutionele hervormingen. Gevolg is dat de ECB gevraagd werd meer functies waar te nemen om de eurozone bij elkaar te houden, terwijl dit de taak is van de lidstaten, of van andere Europese instellingen in een gezamenlijk economisch beleid.

De instelling in het centrum van de Griekse crisis, de eurogroep, bestaat op papier niet of nauwelijks. Zij is slechts onderdeel van de ministerraad van Financiën. De bijeenkomsten zijn informeel, veelal is er geen verslag. Het ontbreekt aan verantwoordingsmechanisme. De eurogroep moet worden geformaliseerd, zodat er over het monetaire beleid kan worden gestemd. Als een land, zoals nu Griekenland, zich niet aan afspraken houdt, mag dit niet ten koste gaan van de rest van de eurozone.

De EU heeft ook nood aan meer eigen budgettaire middelen om de unie samen te houden. De tendens is echter, onder druk van vooral Groot-Brittannië, het EU-budget eerder te verlagen dan te verhogen. Vandaag heeft de unie een budget van 1 procent van het bnp, terwijl dit voor de VS zo’n 22 procent is. Met zo’n budget wordt het moeilijk verschillen in welvaartsniveau tussen de lidstaten bij te passen en de cohesie te versterken.

De tragiek is dat Griekenland de zwaarste inspanningen reeds geleverd had, en er economische groei voorzien was voor dit jaar. De bevolking dacht er bij de verkiezingen in januari echter anders over, en wat toen haalbaar leek, lijkt nu meer en meer op een zandkasteel. Ook zit de overheidsschuld voor het overgrote deel bij internationale instellingen, aan een heel lage rente, wat ze betaalbaar maakt. Daarenboven kan de ECB overheidsschulden opkopen, maar dan moet er eerst overeenstemming zijn over een saneringsprogramma.

Een Grexit zal chaotisch verlopen. Het effect blijft dan niet enkel tot Griekenland beperkt. Het debacle zal een deuk in het vertrouwen van de EU als eurozone en beleidscoördinator worden. Waar financiële markten tot nu toe vrij rustig reageerden op de tijdingen van de laatste dagen, is de politieke impact desastreus.