Column

Bestaansgeluk in een luxe vorm van weinig

Hoewel het ‘zelf’ naar de prullenbak is verwezen, is er toch iets in ons dat we graag met ‘zelf’ aanduiden, of met ‘ziel’ of ‘psyche’ – jezelf zoals je bij jezelf bent, zal ik maar zeggen. Datgene waar niemand toegang toe heeft behalve ‘ik’. Mensen praten heel makkelijk over dat wat ze als ‘zichzelf’ beschouwen – je krijgt zelfs vaak de krachtige aanbeveling om daar vooral ‘dichtbij’ te blijven, en om vooral ‘jezelf’ te zijn. Er was vroeger weinig wat me meer in verwarring bracht dan die raadgeving. Wanneer ben je jezelf? En nog steeds geloof ik meer in een vloeiende identiteit dan in een vaststaande kern.

Evenzogoed kun je soms wel eens het gevoel hebben dat je bij ‘jezelf’ bent.

In het eenvoudige, maar in zijn eenvoud sublieme huurhuis op de Peloponnesos meende ik al spoedig dat ik ‘eigenlijk’ (het wezensdenken is nooit ver weg) niet veel nodig had. Stilte, uitzicht, water, tomaten, en een paar goede boeken. Waarom toch moest ik thuis zo vaak een andere jurk aan, mijn haar föhnen, beuzelarijen lezen, sauce Hollandaise maken? Nergens voor nodig.

Ineens is dan ook de geest, zonder alles wat daarginds ballast leek, volkomen in staat tot concentratie. Als ik bovendien nog een goede bibliotheek bij de hand zou hebben, dan zou ik wéken zo voort kunnen, dacht ik.

Ik las een interessant boek over de radicale verlichting (A Wicked Company, the Forgotten Radicalism of the European Enlightenment van Philipp Blom) dat zich vooral concentreert op de Parijse salon van Baron d’Holbach, een goede vriend van Diderot. Ik ben, sinds ik ooit de brieven van Diderot aan zijn minnares Sophie Volland las, min of meer verliefd op Diderot. Wat een verrukkelijke levendige geest, wat een denkkracht, wat een onbevooroordeelde denkmoed ook, wat een vrije toegang tot zijn gevoelsleven.

En als je zo’n boek leest, over een kring van denkers, dan zie je ook meteen overal richtingwijzers staan naar boeken en correspondenties die je ook zou kunnen willen lezen.

Diderot en de zijnen waren er trouwens ook al diep van overtuigd dat wij biologie zijn en dat de onsterfelijke ziel en alle religieuze verklaringen voor ons bestaan een misverstand zijn. Maar ze probeerden niet het gevoel van een ‘zelf’ te zijn onderuit te halen – wel het begrip ‘geest’ of ‘ziel’ als een bewoner van het lichaam. Die kan als filosofische entiteit niet bestaan natuurlijk. Evenmin als het zelf, dat snap ik ook wel. Dan moet het ‘zelf’ ineens ergens zitten en het zit nergens. Evenzogoed kun je denken dat je in harmonie bent met ‘jezelf’. Bah, al die aanhalingstekens om ineens min of meer verboden woorden.

Het is trouwens niet alleen het nadenken dat tot geluk stemt, maar ook het niet-nadenken. Zwemmend in zee, opgaand in niets anders dan een lichaam te zijn dat met alle zintuigen open door het water beweegt, kun je je op een merkwaardig manier onthecht voelen. Je bestaat, nu, het zijn jouw ogen die deze bergen zien, jouw handen die door het water bewegen, onder je het doorschenen blauw, vleugen warme geuren van het land, je lichaam wordt gedragen door de zee. Ooit zul je er niet meer zijn. Dan zwemt hier niet meer datgene wat jij blijkbaar bent. Het doet er totaal niet toe. Nu besta je wèl.

Toch merkwaardig dat het geluk van het volledige bestaan vooral lijkt schuil te gaan in weinig. Een luxe vorm van weinig, dat wel, maar evenzogoed. Harmonie van lichaam en ziel.

Pardon.