Profiel: De gruwel, de charme en het geheim van de ploegentijdrit

De ene renner vindt het de mooiste discipline binnen het wielrennen, de ander wordt er ‘s nachts gillend wakker van. Het is een kunst, hoe dan ook, en bovendien geschoeid op Hollandse leest. Een profiel van de ploegentijdrit.

De US Postal-ploeg in de Tour van 2003 tijdens een ploegentijdrit over 69 kilometer. Foto ANP / Jasper Juinen

De ene renner vindt het de mooiste discipline binnen het wielrennen, de ander wordt er ‘s nachts gillend wakker van. Het is een kunst, hoe dan ook, en bovendien geschoeid op Hollandse leest. Een profiel van de ploegentijdrit.

Het was de befaamde Posttrein van de late jaren 70 en begin jaren 80 die het tijdrijden in formatie verfijnde tot kunstvorm. De ploeg van Peter Post, met geknede hardrijders als Jan Raas, Gerrie Knetemann, Joop Zoetemelk, Henk Lubberding, Bert Oosterbosch en Johan van der Velde, pleegde een coup op de discipline ploegentijdrit.

“De Raleigh-ploeg uit die tijd, dat was een tempomachine. Dat waren allemaal temporijders van de eerste rang. Er was feitelijk geen formatie die kon rijden tegen het hart van die ploeg. Met Zoetemelk, met Raas, met Kneteman, met Oosterbosch. Daar kon je renners uit de hele wereld tegenover zetten - Kelly, Hinault, Moser - maar daar kon niemand tegen rijden. Die ploeg was echt super.” - fragment uit de documentaire De Posttrein.

nooit meer molentje

Wat deed het Nederlandse TI-Raleigh dan toch om die ploegentijdrit voor altijd te veranderen? De ploeg schafte het rijden in dubbele waaier, ook wel molentje rijden, af. Niet meer de ploeg bij elkaar houden in twee rijen naast elkaar, maar acht of negen coureurs in lintvorm achter elkaar.

“Normaal gesproken reden we molentje. Gerben Karstens (sprinter bij Raleigh van ’76 tot ’78, red.) veranderende dat voor een ploegentijdrit van liefst 156 km. Hij stelde voor langer op kop te rijden. Ieder individu langer op kop: 100, 200 meter of soms een kilometer zodat de rest langer de tijd had om te herstellen.” - Gerrie Kneteman in De Posttrein.

De dubbele waaier was passé: niet meer naast maar achter elkaar. Kneteman zegt in de docu dat tijdrijden in een formatie constant boven je tempo fietsen is. In het rood.

Foto ANP / TI-Raleigh

De Posttrein in 1981 met onder meer Knetemann, Peeters, Lubberding, Van de Velde, Zoetemelk.. Foto ANP / TI-Raleigh

Veel later lichtte Eddie Bouwmans, nadat hij in 1992 met de Panasonic-ploeg van Post de ploegentijdrit won in de Tour, het geheim nog wat meer toe tegenover NRC.

“De ploegleiders maken de opstelling zodanig dat de sterksten achter elkaar rijden. Een zwakkere tijdrijder zoals ik moet niet tussen Ludwig en Ekimov rijden. Dan krijg je bij de aflossingen en te wisselend tempo. Ze bouwen de volgorde zo op dat het tempo een langzame golfbeweging maakt. Ik zit tussen Nulens en Sergeant. Dat zijn jongens die me opvangen als ik wegzak en een gaatje laat vallen.”

‘Liefhebbers van de ploegentijdrit bestaan niet’

Wielerjournalist Edo Sturm beschreef de ploegentijdrit onlangs nog als een verafschuwd onderdeel, gevreesd en niet zonder reden. “Deze discipline straft ieder teken van individuele zwakte af. Wie deze dag boven zichzelf uitstijgt, draagt nog altijd de last van nummer vijf, wiens kloktijd de slottijd van de ploeg is.” Performance manager van Lotto-Jumbo, Louis Delahaije, zei twee jaar terug in NRC: “Niemand kijkt uit naar zo’n rit. Liefhebbers van ploegentijdritten bestaan niet. Alleen voor de winnaars is dit een leuke discipline.” Toch zien andere renners er de schoonheid van in.

“Het mooie eraan is dat je sneller gaat dan bij elk ander wieleronderdeel. De snelheid zit altijd op de limiet. Of je nu 10 of 2 seconden op kop rijdt. De ploegentijdrit is een teamprestatie. Zelfs al ga je 2 km op kop, het is samen winnen en samen verliezen.” - Fabian Cancellara.

Robby Ketchell, data-analist bij Team Sky, vergelijkt het met rijden in een ontsnapping maar dan met kopwerk in fases en een veel grotere krachtinspanning. Hij beschrijft de ploegentijdrit als een gedeelde verantwoordelijkheid van acht of negen renners.

“Als je op kop komt doe je je uiterste best voor je team. En als je dan van kop gaat en je laat afzakken moet je weer accelereren om achteraan weer aan te pikken, want je gaat 55 tot 60 km/u. Ondertussen herstel je foutjes van je ploeggenoten, die bijvoorbeeld gaten laten vallen. Dus je doet allerlei kleine tempoversnellingen tot je uiteindelijk weer op kop komt en dán moet je weer het maximale geven. Het is echt een teamprestatie om al die puzzelstukjes op de juiste plek te laten vallen.”

ONCE en US Postal

Toen Lance Armstrongs US Postal in 2003 voor het eerst een ploegentijdrit in de Tour won, waren vooraf de zwakke schakels benoemd: Beltran en Heras. Zij hoefden telkens maar vijf seconden op kop en hoefden dan evenmin te versnellen. Armstrong, Hincapie, Ekimov, Landis en Peña stoempten 69 kilometer lang systematisch om beurten 10 seconden op kop.

Foto GuzzCo / Hollandse Hoogte

Ploegentijdrit in de Tour van 2002 met ONCE en gele truidrager Igor Gonzalez de Galdeano. Foto GuzzCo / Hollandse Hoogte

Voordien was het toch veelal de Spaanse ONCE-ploeg van de reeds beruchte ploegleider Manola Saiz die de ploegentijdritten domineerde. De formatie droeg de bijnaam El Ave, genoemd naar de Spaanse equivalent van de Franse hogesnelheidstrein TGV. Wat de roze ONCE-trein deed? Kopman Laurent Jalabert in 2000:

“Elke dertig seconden deden we om beurten kopwerk. En vervolgens hadden we steeds een paar minuten om uit te rusten.”

Klinkt als de Posttrein.

de angst: Vroeg lossen kan fataal zijn

Een mensenmachine dus. Acht of negen renners als cilinders en zuigers in een motorblok laten harmoniëren, dat moet oefening vergen. Toch is trainen van een ploegentijdrit geen gewoonte in het wielrennen, schreef NRC-verslaggever Koen Greven eerder. “Al is het maar omdat een Tourteam door het jaar heen zelden in zijn geheel bij elkaar is.”

Vooraf hebben alle renners angst in een vroegtijdig stadium gelost te worden. Sommige renners vinden een ploegentijdrit erger dan de zwaarste bergetappe.

“Zo’n sliert van negen renners met hun gekromde ruggen lijkt voor de buitenstaander misschien op een geoliede machine, maar van iedereen wordt verwacht dat hij diep in zijn reserves tast. Vroeg afhaken kan fataal zijn. Berucht is het voorbeeld van klimmer Bert Pronk, die in 1980 de ‘Posttrein’ niet meer kon bijhouden en zo veel tijd verloor dat zijn Tour erop zat.” - Koen Greven, NRC.

Toen Erik Breukink in 2004 bij Rabobank zijn eerste ploegentijdrit als ploegleider meemaakte, was hij - zelf als beroepsrenner prima in racen tegen de klok - verrast door jongens die “echt schrik” hadden van de team time trial.

Foto ANP / Pascal Pavani

Erik Breukink ‘contre le montre’ tijdens de Tour van 1992. Foto ANP / Pascal Pavani

Weinig tijdverlies

Schrik van de pijn, dat is te begrijpen. Schrik om gelost te worden en kilometers lang eenzaam af te leggen of voor een scenario-Bert Pronk: evenzo begrijpelijk. Maar de klassementsrenners hoeven niet per definitie te vrezen voor flink tijdverlies. Zeker vandaag niet. De rit gaat over 28 kilometer, waar in de tijd van ONCE en US Postal minstens het dubbele op de agenda stond.

Bij de vorige ploegentijdrit in de Tour, twee jaar geleden, verloren Sky en Saxo-Tinkoff respectievelijk 3 en 9 seconden op winnaar Orica-Greenedge. Anderzijds verloor Mollema met Belkin (37s) en Astana (bijna een minuut) wel veel.

De ploegentijdrit in de afgelopen Dauphiné was soortgelijk aan die van vandaag en daarop verloor Astana (Nibali) 4 seconden op BMC (Van Garderen). Movistar (Quintana) was maar 5 seconden langzamer. Eigenlijk verloor alleen Sky daar flink met Froome die 35 seconden aan de broek kreeg.