Zelfkritiek in de krant: wat gebeurt er vervolgens mee?

Zomer: een tijd voor reflectie, ondanks de dreigende Grexit een moment voor jezelf? Verschillende NRC-redacteuren richtten onlangs de professionele blik naar binnen. De Haagse redacteuren Tom-Jan Meeus (als dankwoord bij een prijs), Derk Stokmans (bij zijn afscheid van de Haagse redactie) en chef fotoredactie Evert Hermans (op verzoek van Media).

Dat journalisten laten weten hoe ze te werk gaan en wat ze daar zelf van vinden, kan heel nuttig zijn. Keerzijde: te veel over jezelf praten, leidt juist weer af van het werk. Op de keper beschouwd gaat het erom wat een journalist te vertellen heeft en of hij niet alleen vragen stelt, maar ook het begin van een antwoord geeft.

Dat laatste ontbrak, vond ik, in de ontboezeming van de fotoredacteur (Dit zijn de foto’s die mij boos maken, 30 juni). Hermans leed onder het „toenemend aantal” ellendige foto’s: bootvluchtelingen voorop. „Te veel om aan te zien, te veel om nog fatsoenlijk te zijn.”

Onfatsoenlijk, zelfs. Begrijpelijke emotie. Alleen, de fotoredacteur stelde zich zodoende vooral op als consument, die net als de lezer ook een hart heeft, niet als producent. Terwijl je juist in die hoedanigheid, als vakman, wel iets van hem had willen horen over de prangende vraag boven het stuk: „Hoe zorg je ervoor dat de beelden indruk blijven maken?”

Tom-Jan Meeus, winnaar van de Vondelingprijs voor politieke journalistiek, stelde in zijn dankwoord vast dat politiek en reclame steeds meer op elkaar lijken: interviews met politici, liefst in een medium van hun eigen keuze, zijn reclame geworden, een vorm van message control. Dat is de realiteit, maar wat zet de journalistiek daar tegenover? Meeus pleitte voor meer verslaggeving en profielen, waarin niet de politicus maar de krant zelf, met hoor en wederhoor, de balans opmaakt. Ook graag wat minder ‘reconstructies’, waarin politici afgestemde feiten en bijgeslepen menselijke anekdotes naar voren kunnen schuiven.

Een belangrijk stuk – en terecht dat de krant het afdrukte (Voorlichters schaden politiek als open ideeënstrijd, 26 juni). Wel jammer van die kop die de lading niet dekte: klagen over voorlichters is zo oud als de weg naar Rome, maar Meeus’ analyse was nu juist breder: politici zelf zijn reclamemakers geworden. Zijn collega Derk Stokmans stond een dag later in de krant met een verwante aanklacht tegen de verstrengeling van politiek rollenspel, voorlichting en media (De politieke realityshow, 27 juni).

Ook een relevante observatie.

De vraag is natuurlijk wel: gebeurt er ook iets mee? Welke boter serveert de krant bij deze vis?

Een mooie, maar ook pijnlijke illustratie van Meeus’ betoog werd datzelfde weekend geleverd door een dubbelinterview met David Van Reybrouck en D66-leider Pechtold, waarin de eerste zich vooral opwond en de tweede een zomeravondlang (en vier pagina’s) zijn best deed niet te veel, of niets, te zeggen (Er is een soort angst voor het volk ontstaan, 27 juni).

Ik vroeg ernaar bij de chef van de Haagse redactie en de hoofdredactie. Op concrete stappen – het lijkt wel politiek – wil niemand zich nog vastleggen. Allemaal beamen ze wel één ding: het is meer dan ooit de taak van de journalistiek om door de message control heen te breken, en om feiten te scheiden van beeldvorming en spin.

Goed, maar hoe? Voorzichtiger zijn met interviews en open zijn over afspraken die je maakt, zegt adjunct-hoofdredacteur Marike Stellinga. Is een stuk tevoren gelezen? Hoe kwam het tot stand? Maar, zegt zij, helemaal géén interviews „is ons te dogmatisch”.

Nee, uiteraard. De lezer kan de minister tenslotte geen vragen stellen, de journalist wel. Dat schept verplichtingen. En soms wil je ook gewoon lezen welke woorden een bewindspersoon precies kiest om een eigen maatregel of plan aan te prijzen of te verdedigen.

Nu had Meeus het interview ook niet taboe verklaard; hij pleit eerder voor meer accent op agressievere (in de zin van: onderzoekende en vasthoudende) verslaggeving. In zijn eigen zaterdagse rubriek voegt hij nu al drie jaar de daad bij het woord (of eigenlijk is het andersom en voegt hij met zijn rede nu het woord bij de daad).

Vooral, zegt Stellinga, moeten we „vertellen welk debat er echt gaande is achter de schermen” en „lezers helpen om door de message control heen te prikken”.

Akkoord. Alleen, ik hoop tegelijk dat de krant niet vergeet de lezer ook vooral te vertellen wat er vóór de schermen gebeurt. Want hier is een andere aardige suggestie, die Meeus deed in gesprek met mij: waarom begint de krant niet weer een rubriek waarin een parlementair debat wordt gefileerd?

Mr. B.C.L. (‘Pim’) Waanders verzorgde zo’n rubriek (treffende titel: Parlement) van 1975 tot zijn pensioen in 1991. Zo kun je allerlei parlementaire zaken die het vragenuurtje niet halen (en dat zijn de meeste) voor het voetlicht brengen – ook een vorm van democratische verslaglegging en controle.

Trouwens, het klassieke verslag van een parlementair debat is al zo ingehaald door de wereld van Teletekst en Twitter, dat zo’n rubriek waarschijnlijk zou gelden als een spectaculaire vernieuwing.

Traditie kan ook innovatief zijn.