Wolkenboot

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een fragment uit Dertig dagen van de Vlaamse Annelies Verbeke.

Het eerste wat hij ziet is een bootvormige wolk die tussen hem en de zon in vaart, en verderdrijvend steeds meer stralen toelaat het raam te verwarmen, zich naar het dekbed uit te strekken, naar zijn armen, handen en gezicht. Hij blijft liggen tot de zon helemaal zichtbaar is en staat versteld van de ontroering die haar omarming bij hem teweegbrengt. Het is zijn gewoonte met de gordijnen open te slapen, omdat het licht hem helpt wakker te worden, en het eindeloze van de lucht het eerste is wat hij wil zien. Maar deze ochtend schijnt hem grootser toe dan de voorgaande. Grootser en lieflijker tegelijk. Alsof de zomer dit jaar niet zal wijken.

Hij kijkt naar Kat, die nog slaapt. Straks krijgt ze goed nieuws, denkt hij. Voorzichtig laat hij het rolgordijn zakken, ze klaagt soms over te veel licht, te vroeg. In de badkamer zijn het de geuren die hem overvallen, zowel die van zijn stoelgang als die van de douchegel, elk partikel verhevigd aanwezig, bijna tastbaar. Wat is er met me aan de hand, vraagt hij zich af, maar de geuren verdwijnen al naar de achtergrond.

Hij draagt zijn onderbroek en een T-shirt als hij de waterkoker vult, rommelt in de garage, op zoek naar een lichtere overall. Terwijl hij de schouderriemen aantrekt loopt hij op blote voeten door de gang en plukt hij de krant van de vloer.

Het is de foto van het dode Palestijnse kind op de voorpagina die zijn droom van de voorbije nacht oproept, zij het enkel gruwelijke details eruit, bewegende close-ups, geen verhaal. Er was een man met hersenen die van zijn lange haren gleden, de bloedende tepels van een vrouw, een kind met uiteengereten stompjes voor vingers, en geen van hen was dood, ze krijsten het uit, panisch en bij volle bewustzijn staarden ze naar hun wonden, strompelden ze in het rond.

En dan was er de zon en die wolkenboot, warm licht, als een bevestiging van de opperste gelukzaligheid waarmee hij was ontwaakt. Hoe kan dat, vraagt hij zich af, hoe kan ik zo blij ontwaken na zo’n droom? Hij zoekt zijn geheugen af naar gelijkaardige ervaringen, vindt er geen. Is het de gewaarwording zelf van extreem leed te zijn bespaard, die hem bij het ontwaken heeft getroffen?

Vroeger vond hij de bewering ‘dat het erger kan’ bedreigend, alsof je er nog wel achter zou komen dat je leed veel groter kan zijn dan wat het nu is. Nu ziet hij dat anders, ziet hij de uitzonderlijke schittering van elke dag waarop de noodlottige wendingen hem bespaard blijven.

Hij hoort Kat de trap af lopen, neemt nog een kop uit de kast.

‘Ik heb slecht geslapen’, zegt ze.

Ze draagt zijn kamerjas, die haar figuur voor een buitenstaander in het ongewisse zou laten. Ze is echt veel minder bleek dan ze is geweest.

Als hij de kop voor haar neerzet, draait ze haar hoofd in zijn richting en drukt hij haar een kus op de lippen. Bij een hoekje trekt ze de krant naar zich toe, kreunt bij het zien van het verbrande kind en gooit ze naast zich op een stoel.

‘Ik heb raar gedroomd’, zegt hij. ‘Het was gruwelijk, ik zag toegetakelde mensen, maar toen ik wakker werd was er alleen licht en voelde ik mij gelukkig.’

Ze kijkt naar hem op, achterdochtig.

‘Nog steeds. Er is iets vreemds met me aan de hand. Er is iets veranderd.’

Hij wil het haar uitleggen, vindt de woorden niet. Al wat hij bereikt is dat haar achterdocht groeit. Met een mes breekt ze een suikerklontje op de bodem van de kop voor zich; een werklustige kabouter, verbolgen over een steen in de aarde waarin hij iets planten wil. Haar mondhoeken zijn naar beneden gericht.

Kat bestudeert haar man. Soms vindt ze hem een karikatuur van vitaliteit, een man voor yoghurtreclames. Ze houdt van hem met een intensiteit die ze hem niet altijd gunt, omdat ze zich niet voor kan stellen dat die in dezelfde mate wordt beantwoord. Dat hij deze ochtend kiest om zijn levensvreugde te onderstrepen, illustreert dat. Hij houdt geen rekening met haar, niet echt. Het is niet omdat hij goed nieuws verwacht, dat het er ook komt. Vanochtend zal ze weigeren zich door zijn vertrouwen te laten bedwelmen.

‘Laat me met je meegaan.’

Het maakt geen verschil dat hij haar misnoegdheid juist heeft geïnterpreteerd. Vastberaden schudt ze het hoofd.

‘Ik kan in de auto wachten’, dringt hij aan.

‘Laat me dit alleen doen’, zegt ze.

Hij wil dat ze hem belt zodra ze iets weet.

Omdat hij een halve dag heeft uitgetrokken om haar te begeleiden en de afspraak met zijn nieuwe klant pas na de middag is, werpt hij zich met tegenzin op zijn administratie. Hij legt zijn mobiele telefoon in het zicht, gaat na of het vaste toestel werkt – het werkt.

De map met facturen is een catalogus van huiselijke problemen.

Hoewel zijn geheugen hem meestal in de steek laat wat namen en gezichten betreft, herinnert hij zich de huizen en de gesprekken die hij er heeft gevoerd. Omdat die gesprekken zich in zijn gedachten blijven herhalen terwijl hij werkt, lijkt het achteraf vaak alsof hij ze op hun muren heeft achtergelaten, ze met een dunne maar ondoordringbare laag tegen de tijd heeft beschermd.

Vandaag weten de facturen en bijhorende herinneringen hem echter niet af te leiden. Kat had een afspraak om half negen. Het kan druk zijn in ziekenhuizen. Hij moet haar niet opjagen, niet zelf bellen.

Om tien uur houdt hij het niet langer. Ze drukt haar telefoon uit. Omdat ze tegenover de dokter zit, bezweert hij zichzelf. Ze zit tegenover de dokter. Vorige keer was de uitslag zo goed als hij op dat moment kon zijn, vandaag moet ze volledig genezen worden verklaard, ze leek ervan uit te gaan dat het resultaat haar onmiddellijk zou worden meegedeeld.

Nog een half uur bewandelt hij de vloeren en trappen van hun huis met toenemende snelheid, dan belt hij opnieuw. En nog eens als ze niet heeft opgenomen.

‘Ja?’ zegt ze dan, haar stem krachteloos.

Meeuwen, denkt hij, is dat de zee? ‘Waarom bel je niet?’

‘Ik ben aan zee.’ De Panne wellicht, waar haar ouders wonen. Wil ze hun troost eerst? Dat kan hij zich niet voorstellen.

‘Wat zei de dokter? Niet goed?’

‘Nee.’

Een ijskoude vis wordt zijn maagholte in geworpen, spartelt er voor zijn leven.

Hij kan raden op welk deel van het strand ze ronddwaalt: het breedste, tussen een camping, de duinen en de zee in. ‘Blijf daar’, zegt hij, doof voor haar protest.