Via ‘camping’ in Erp naar goud in Rio

In 2.5 seconde naar 60 kilometer per uur: sommige sportauto’s hebben er moeite mee, BMX-crossers niet. Dit weekeinde zijn in Brabant de EK.

Sinds de intrede van BMX op de Olympische Spelen in 2008, is het aantal licenties bijna verdubbeld naar meer dan tweeduizend. Foto Robin Utrecht Foto Robin Utrecht

Tientallen ongeduldige kinderen kunnen niet wachten totdat de Nederlandse BMX-toppers aanschuiven voor een handtekeningensessie. Als Nederlands kampioen Twan van Gendt voorbijkomt op zijn kleine crossfiets roept een jongen zijn naam. Toch is de twijfel in zijn stem hoorbaar. De anderen zijn drukker met hun petten en blocknotes.

De sport BMX maakt een flinke groeispurt door. Sinds de intrede van BMX op de Olympische Spelen in 2008, is het aantal licenties in Nederland bijna verdubbeld naar ruim tweeduizend. Dit weekeinde zijn de Europese kampioenschappen in het Brabantse Erp en dat is te merken. BMX is ‘hot’. Vooral omdat Nederland het internationaal gezien zo goed doet. Nederland staat momenteel derde op de wereldranglijst, achter Amerika en Australië.

Bij BMX vertrekken de crossers van een vijf meter hoge schans met een hellingshoek van 33 procent. Vanaf volgend jaar is dat, net als op de Olympische Spelen, vanaf acht meter. Binnen tweeënhalve seconde halen de BMX’ers dan een snelheid van vijftig tot zestig kilometer per uur. „Een beetje sportauto heeft daar moeite mee”, geeft de Nederlandse bondscoach Bas de Bever aan. Hij wil zijn ploeg in Erp klaarstomen voor de WK, over twee weken in het Belgische Zolder. „En uiteindelijk willen we goud in Rio in 2016.”

Het terrein in Erp lijkt op een camping. Overal staan partytenten waar de sporters en hun begeleiding op campingstoelen zitten. Alleen staan er in plaats van barbecues kleine fietsjes. Stoere mannen en vrouwen wurmen zich kriskras door het publiek heen. Eenmaal op de crossbaan gaan ze helemaal los. Vierhonderd meter over zand racen en vliegen over hindernissen. De coureurs moeten wringen en duwen om de beste positie op de baan te veroveren.

De populaire Van Gendt, die vorige week in Klazienaveen Nederlands kampioen werd, is één van de 1560 ingeschreven rijders uit de 22 deelnemende landen. De 23-jarige Bosschenaar werd op de Olympische Spelen in Londen van 2012 vijfde. Nu behoort hij tot de favorieten voor de titel. „Dat besef ik, maar daar train ik ook het hele jaar voor”, zegt Van Gendt tussen het handtekeningen zetten door. „Ik reis ieder jaar, helaas zonder mijn vriendin, de wereld over om beter te worden. Sinds Londen merk ik echt dat de aandacht voor mij en de sport is toegenomen. Ook de bronzen medaille van Laura Smulders gaf BMX een boost.”

Met de A-status van NOC*NSF en zijn sponsorcontract bij Red Bull kan Van Gendt leven van zijn sport, maar hij is een van de weinigen. „Het is nog steeds een kleine sport, maar ik hoop dat we de ingezette groei kunnen doorzetten. Ieder kind springt op weg naar school weleens met zijn fiets de stoep op. Dat is eigenlijk de essentie van BMX. Helaas eindigen ze uiteindelijk met een voetbal. Hopelijk komt daar verandering in. Rio is voor Nederland het ultieme doel. Daar willen we de sport nog een grote boost geven.”

Bondscoach De Bever is het met zijn „veruit de beste” pupil eens. „Het gaat echt goed met BMX in Nederland”, zegt De Bever. „Om ons te kunnen onderscheiden van de concurrentie hebben we onlangs ons beleid op bepaalde plekken rigoureus gewijzigd. Zo zijn we afgestapt van de klassieke opbouw. Het trainen op explosiviteit en snelheid doen we niet meer in het krachthonk, maar op de baan.”

De van origine Amerikaanse sport is zo’n veertig jaar in Nederland. Tweemaal stond BMX op de Olympische kalender en beide keren won de Let Maris Strombergs het goud. Hij zal morgenmiddag tegen Nederlandse toppers als Van Gendt, Niek Kimmann en Raymon van der Biezen strijden om de Europese titel. Van Gendt zegt dat er in het BMX geen zekerheden zijn. „Ik hoef maar een duw te krijgen en te vallen. Dan is het gebeurd. De WK in Zolder telt voor mij eerlijk gezegd wel meer. Dit parcours ligt mij niet zo.”

Van Gendt trekt zijn bescherming aan, „kniekappen, elleboogbeschermers en een vestje voor mijn ribben”, en doet zijn helm op. Nog een aantal keer de baan testen. Hij vliegt zo'n vijf meter hoog en springt tien meter ver over de heuvels. Nog één keer gaat Van Gendt als een klein kind op een glijbaan nog omhoog. Daarna snel terug naar zijn vriendin. Want nu hij in Nederland is, wil zij ook graag aandacht.