Srebrenica raak je nooit meer kwijt

De last van het verleden wordt nog steeds zwaarder voor de veteranen van Dutchbat III, die aanwezig waren bij de val van de enclave. Drie van hen vertellen over herinneringen en trauma's. „Ik sliep niet, omdat ik bang was dat ik niet meer wakker zou worden.” 

 Paul Boomsma Foto Merlijn Doomernik

Hij zit weer thuis. Op de bank, met zijn volledig getatoeëerde armen over elkaar. In de ziektewet. Niet voor het eerst. Sinds ‘Srebrenica’ heeft Paul Boomsma regelmatig „extreme periodes” waarin „de stress nogal hoog kan oplopen”. Dat begon in 1997, twee jaar nadat hij als militair was teruggekomen uit Bosnië. Hij zat nog in het leger, waar hij terreinwagens bestuurde. „Ik wist niet wat me overkwam.”

Boomsma kreeg slapeloze nachten, ruzie met zijn ouders en durfde opeens niet meer de snelweg op. „Best onhandig, als chauffeur”, stelt hij achteraf droog vast. Maar destijds was het „de hel”.

Sindsdien gaat het leven met pieken en dalen. Er waren de afgelopen twintig jaar periodes dat het goed ging met Boomsma. Tijden waarin hij gewoon kon werken bij de garnalenverwerker in Zoutkamp waar hij in dienst is. Of het moment dat hij vorig jaar op zijn 42ste toch nog vader werd van een zoon. Maar bij vlagen gaat het slecht tot heel slecht. Periodes van te veel drinken, opstandig gedrag en depressie hebben elkaar afgewisseld. Hij is opgenomen geweest in een speciaal militair ziekenhuis. Hij kreeg een ‘militair invaliditeitspensioen’ en het stempel PTSS: een posttraumatische stress-stoornis, „waar ik mijn leven lang niet meer van af kom”.

Het verhaal van Boomsma lijkt een klassiek PTSS-verhaal van een militair met een onverwerkt oorlogstrauma. Maar Srebrenica is voor hem en andere Dutchbat-veteranen ook een wond die nooit meer heelt, omdat er telkens weer aan de hechtingen wordt getrokken.

Zeker in deze periode, nu het vandaag precies twintig jaar geleden is dat Bosnisch-Servische soldaten de moslimenclave Srebrenica innamen en meer dan 8.000 mannen en jongens vermoordden, is het drama weer elke dag in het nieuws. Dagelijks worden de veteranen ermee geconfronteerd dat zij aanwezig waren bij de grootste massamoord op Europese bodem na de Tweede Wereldoorlog – volgens henzelf als onvrijwillige getuigen, volgens sommige critici als medeplichtigen.

De ene morgen worden ze wakker met nieuws dat voorheen geheime documenten aantonen dat bondgenoten nooit van plan waren de Nederlandse VN-militairen in de meest kwetsbare enclave met luchtsteun te hulp te schieten. Dat leidt dan tot hoog oplopende discussies op Facebook en via WhatsApp, waar Dutchbat-militairen virtueel samenkomen. De volgende dag verschijnt oud-Defensieminister Joris Voorhoeve in alle media om zijn Srebrenica-boek te promoten. Dan is er een stroom aan berichten over wie er allemaal wel en niet de herdenking in Srebrenica zelf zullen bijwonen. En de Russische blokkade om in de VN Veiligheidsraad uit te spreken dat de massamoord een genocide was.

„Ik dacht eigenlijk dat ik er niet meer zo mee zat, maar er is weer van alles losgekomen”, zegt Boomsma. Overdag is hij prikkelbaar en boos om niks. ‘s Nachts ligt hij wakker, te woelen, tandenknarsen en zweten tot de lakens drijfnat zijn. En maar dromen. Dromen die „gek genoeg” nooit over Srebrenica zelf gaan. „Ik droom niet over de vluchtelingen. Niet over de stank van al die in een loods samengepakte mensen. Niet over de collega die is omgekomen door een handgranaat van Bosnische moslims. Niet over of ik iemand heb geraakt toen ik op Bosnisch-Servische soldaten schoot. Niet over hoe we zelf onder vuur lagen.” In zijn dromen is hij meestal alleen, dan wordt hij achternagezeten of gevangen gehouden of – dat gevoel overheerst bij alles rond Srebrenica – in de steek gelaten.

Paul Boomsma voelt, net als veel andere veteranen van Dutchbat III, de derde lichting Nederlanders die de onverdedigbare enclave Srebrenica moest verdedigen, dat zij „gewoon speelbal zijn geweest” in een oorlog waar ze niets te zoeken hadden. Ze waren onderbewapend en werden zonder duidelijke opdracht een onveilig gebied ingestuurd waar de Serviërs het eigenlijk voor het zeggen hadden en dat internationale grootmachten al lang hadden opgegeven.

Met die frustratie lopen ze rond, want ze kunnen – mogen – zichzelf niet zien als slachtoffer van een situatie waarin duizenden Bosniërs hun vaders, mannen, broers en zonen verloren. Boomsma: „Wij zijn aan ons lot over gelaten daarzo, net als de vluchtelingen. Maar wij moeten blij zijn, want wij zijn levend weggekomen.”

Ongeschonden terug

Het is onbekend hoeveel van de honderden Dutchbat-militairen die de val van Srebrenica meemaakten daar last van hebben, maar veteranen zeggen niemand te kennen die ongeschonden is teruggekeerd.

Anne Mulder merkt ook hoe hij en oud-collega’s rond de verjaardag van het bloedbad weer worstelen met het verleden. „Srebrenica is als een rugzak die je altijd op hebt. En bij alles wat er over gezegd en geschreven wordt, is het alsof er iemand heel hard aan die rugzak trekt.” Elke keer wordt de bagage zwaarder in plaats van lichter gemaakt. Want iedere keer dat het woord Srebrenica valt, ziet Mulder zichzelf weer staan bij het roestige hek van het kamp in Potocari op de dag dat de enclave viel. Een „druistige” dienstplichtig soldaat die zich voor het avontuur als vrijwilliger had gemeld voor de Bosniëmissie. „We hadden gecapituleerd, de YPR-pantservoertuigen stonden met hun loop rechtop omhoog. We hadden nog een uzi, een scherfvest en een blauwe helm, maar we konden niks doen voor de hulpeloze vluchtelingen die in overladen vrachtwagens werden afgevoerd.”

Bij Anne Mulder begonnen de klachten in 2002, ook in juli. De gevoelens van angst, machteloosheid en ontreddering die hij zeven jaar eerder in Bosnië gevoeld had kwamen terug. „Ik sliep niet, omdat ik bang was dat ik niet meer wakker zou worden.”

Johan de Jonge was vlak voor de enclave viel met zes collega’s gegijzeld. Zij waren er in een YPR op uit gestuurd om te voorkomen dat de Serviërs verder opstoomden. „Toen de chauffeur met hoge nood de deur van het voertuig open deed, waren we direct omsingeld en werden we afgevoerd.”

Ze werden eerst meegenomen naar een kazerne en toen naar het beruchte hotel Fontana, waar Karremans door de Bosnisch-Servische bevelhebber Ratko Mladic werd ontboden. „Karremans sprak daar heel even met ons en vertelde dat er de volgende ochtend echt luchtsteun zou komen. Toen hebben we allemaal een afscheidsbrief naar huis geschreven, want wij waren door een tolk gewaarschuwd: als er bommen vallen, zijn jullie de eerste die eraan gaan.”

De luchtsteun kwam niet en dus kan Johan de Jonge twintig jaar later thuis in Baarn vertellen dat de afscheidsbrief aan zijn ouders nog ongeopend is. Maar omdat er geen luchtaanvallen werden uitgevoerd, vielen er wel duizenden andere slachtoffers. Het is een schuldgevoel waar De Jonge mee leeft. Een gevoel dat versterkt werd door de ontvangst in Nederland.

„Ik woonde in een klein dorpje, waar iedereen inmiddels op televisie en in de krant had gezien wat er in Srebrenica gebeurd was. Ze wisten er meer van dan wij. Het enige wat ik gehoord had was van de Arkan-strijders die ons tijdens de gijzeling ‘s nachts bewaakten. Zij kwamen na hun moordtochten door de enclave ‘s avonds met bebloede messen terug en vertelden vreselijke verhalen, vooral over wat ze met vrouwen hadden gedaan. Maar wat zij vertelden was zo onvoorstelbaar wreed, dat we het niet geloofden. Ik dacht dat het pure intimidatie was, maar het bleek achteraf helaas allemaal waar.”

De Jonge werd daar bij de plaatselijke supermarkt door wildvreemden op aangesproken alsof hij zelf had deelgenomen aan een genocide. Het beeld in Nederland was dat de militairen de Serviërs hun gang hadden laten gaan, zo niet hadden geholpen. En daarna in Zagreb een groot feest hadden gevierd met veel drank en polonaise. „Ik kon geen enkel weerwoord bieden. Ik probeerde het weg te stoppen.”

Toen hij ruim een jaar later hoorde dat hij opnieuw zou worden uitgezonden bedankte hij niet alleen voor de missie, maar nam ook ontslag als militair. Hij verloor zijn oude maten uit het oog en werd internationaal vrachtwagenchauffeur. „Daar zat ik in mijn eentje, met de radio aan waarop de hele dag te horen was wat wij Nederlanders in Srebrenica allemaal fout hadden gedaan. Langzaam liep mijn emmertje vol.”

Nazorg

De nazorg van Defensie had bestaan uit een gesprekje met een man van wie De Jonge nog steeds niet weet of het een psycholoog was of iemand van de militaire inlichtingendienst. Wie meer hulp nodig had, moest zelf maar bellen, was de boodschap. Er werd niet actief onderzocht hoe het met Srebrenica-veteranen ging. Ook nu heeft het ministerie daar geen zicht op. Berichten dat sinds 1995 tien tot vijftien Dutchbatters zelfmoord hebben gepleegd, van wie vier in het afgelopen jaar, kunnen niet bevestigd worden, omdat Defensie de veteranen niet volgt.

Hoewel hulp voor wie daarom vraagt beschikbaar is, hebben veteranen zelf manieren gevonden om met hun problemen om te gaan.

Johan de Jonge gaat sinds 2008 twee keer per jaar terug. „De eerste keer hadden we met zeven man een busje gehuurd en hoe dichterbij we kwamen, hoe benauwder ik het kreeg. Ik dacht dat ze ons zouden pakken, in elkaar zouden slaan. Maar we zijn daar met open armen ontvangen.” De nabestaanden daar bleken hem persoonlijk veel minder te verwijten dan mensen die er niet bij waren.

Ook hij omschrijft de last van Srebrenica als een rugzak, maar „een rugzak met sores die ik daar heb afgezet”.

Paul Boomsma en Anne Mulder zijn niet terug geweest naar Srebrenica. „Ik denk dat er een moment in mijn leven komt dat ik terug wil”, zegt Mulder. „Maar nu overheerst dat ik bang ben om dat rottige gevoel van machteloosheid opnieuw te ervaren.”

Wat hem heeft geholpen, is er niet alleen met een psycholoog over praten, maar ook met zijn eigen omgeving én mensen daarbuiten. „Als Srebrenica ter sprake kwam, deed ik het eerder af met een cynische grap, ik sloot me ervoor af.” Nu geeft hij voorlichting op scholen en hij praat erover in zijn werk. Mulder is sinds 2010 Tweede Kamerlid voor de VVD.

„Ik probeer de onmacht van toen, om te zetten in iets positiefs. Hier beslis ik mee over het uitzenden van militairen. Ik weet hoe belangrijk het is dat daarbij aan allerlei voorwaarden wordt voldaan: wat is het mandaat, wat is de geweldsituatie, van wie zijn wij afhankelijk?” Toen in het kabinet twee jaar geleden werd besloten om onder de vlag van de VN naar Mali te gaan, heeft hij zich daar extra zorgen om gemaakt.

Het waren niet alleen de bondgenoten die Dutchbat de klappen lieten opvangen, ook in Nederland ging van alles mis, bijvoorbeeld in de nazorg. Mulder is ook kritisch over het ministerie . „Zoiets als het fotorolletje dat vernietigd werd, dat lijkt toch alsof ze de zaak in de doofpot hebben willen stoppen. Als Dutchbat-militair heb je daar helemaal niks aan. Wij hebben liever dat eerlijk verteld wordt hoe het zat.”

Want ondanks alle journalistieke onderzoeken, boeken, rapporten, een parlementaire enquête en processen voor het Joegoslavië-tribunaal hebben veteranen nog steeds het idee dat niet alles bekend is. En dat ze ook over vijf jaar nog op de bank voor de televisie geconfronteerd zullen worden met nieuwe feiten. Maar, relativeert Paul Boomsma, „ook zonder het nieuws gaat er geen dag voorbij dat ik er niet aan denk”.