Na 55 jaar weer een Harper Lee-roman. En dit is het eerste hoofdstuk

Fans van de Amerikaanse schrijfster Harper Lee (89) worden welkom geheten in haar woonplaats, Monroeville, Alabama. Het tweede boek van de 'To Kill a Mockingbird'-schrijfster verschijnt wereldwijd op dinsdag 14 juli. AP Photo/ Jay Reeves

Nu al hét publicatiemoment van 2015. Aankomende dinsdag verschijnt wereldwijd Go Set a Watchman, de eerste roman in 55 jaar van de Amerikaanse schrijfster Harper Lee (89), bekend van To Kill a Mockingbird. Ook de Nederlandse vertaling, van Ko Kooman, verschijnt 14 juli. Hier, en exclusief, het eerste hoofdstuk van Ga heen, zet een wachter.

Na Atlanta had ze uit het raam van de restauratiewagen gekeken met een plezier dat bijna lichamelijk was. Genietend van haar ontbijtkoffie zag ze de laatste heuvels van Georgia uit het zicht verdwijnen en de rode aarde opdoemen waarop huizen stonden met zinken daken en schoongeveegde erven, en op die erven de onvermijdelijke verbena, omlijst door witgekalkte autobanden. Ze grinnikte bij het zien van haar eerste televisieantenne op het dak van een verveloos negerhuisje; tot haar vreugde werden het er steeds meer.

Jean Louise Finch maakte deze reis normaal per vliegtuig, maar voor haar vijfde jaarlijkse bezoek aan thuis had ze besloten vanuit New York de trein naar Maycomb Junction te nemen. Dat kwam onder andere doordat ze tijdens haar laatste vliegreis doodsangsten had uitgestaan toen de piloot had besloten door een tornado te vliegen. Bovendien betekende vliegen dat haar vader om drie uur ’s ochtends zijn bed uit moest en honderdvijftig kilometer moest rijden om haar in Mobile af te halen, waarna hem nog een volle dagtaak wachtte; hij was nu tweeënzeventig en ze kon dit redelijkerwijs niet meer van hem verlangen.

Ze was blij dat ze voor de trein had gekozen. De treinen waren veranderd sinds haar kinderjaren en het nieuwe van de ervaring amuseerde haar: een dikke gedienstige geest in de vorm van een witkiel verscheen na een druk op een knop aan een wand; uit een andere wand floepte op haar bevel een roestvrijstalen fonteintje tevoorschijn en er was een toilet waar je je benen in kwijt kon. Ze besloot zich niet te laten intimideren door de vele gedrukte boodschappen in haar coupé – of slaapcabine, zoals het heette –, maar toen ze de avond tevoren wilde gaan slapen, slaagde ze erin zichzelf tegen de wand op te klappen doordat ze de instructie trek hefboom omlaag over haken had genegeerd, een situatie waaruit ze door de witkiel werd verlost, tot haar verlegenheid, omdat ze in bed nooit meer dan een pyjamajasje droeg.

Gelukkig deed hij toevallig zijn inspectieronde toen het bed dichtklapte met haar erin: ‘Ik haal u eruit juffrouw,’ riep hij in antwoord op haar gebons. ‘Nee, nee, alstublieft,’ zei ze. ‘Als u me maar zegt hoe ik hieruit kan komen.’ ‘Ik doe het wel met m’n rug naar u toe,’ zei hij, en hij voegde de daad bij het woord.

Toen ze die ochtend ontwaakte, werd de trein knarsend en puffend op het emplacement van Atlanta gerangeerd, maar gehoorzaam aan een ander bordje in haar coupé bleef ze in bed tot ze College Park voorbij zag flitsen. Ze kleedde zich in haar Maycomb-tenue: een grijze lange broek, een zwarte blouse zonder mouwen, witte sokken en lage schoenen. Hoewel ze nog vier uur van huis was, kon ze haar tante al afkeurend horen snuiven.

Ze begon net aan haar vierde kop koffie toen de Crescent Limited als een reusachtige gans naar zijn maat toeterde die op weg was naar het noorden, en ratelend over de Chattahoochee-rivier Alabama in reed. De Chattahoochee is breed, vlak en modderig. Hij stond nu laag; langs een gele zandplaat stroomde nog maar een beekje. Misschien zingt hij wel als het winter is, dacht ze; ik kan me geen regel van dat gedicht meer herinneren. Fluitend door het woeste dal? Nee. Schreef hij aan een watervogel, of was het een waterval? Ze onderdrukte streng een neiging tot uitgelatenheid toen ze bedacht dat Sidney Lanier wel iets weg moest hebben gehad van wijlen haar neef Joshua Singleton St. Clair, wiens persoonlijke literaire domein zich uitstrekte van de Black Belt tot Bayou La Batre. Jean Louises tante stelde haar dikwijls neef Joshua ten voorbeeld als een familielid dat niet zomaar mocht worden onderschat: hij was een prachtige man om te zien, hij was een dichter, hij was in de bloei van zijn leven geveld, en Jean Louise deed er goed aan te bedenken dat hij een sieraad voor de familie was. Zijn portretten strekten de familie tot eer – neef Joshua zag eruit als een morsige Algernon Swinburne.

Jean Louise glimlachte bij de herinnering aan haar vaders verhaal over hoe het verderging. Neef Joshua was geveld, dat zeker, hoewel niet door Gods hand, maar door de legioenen van Caesar. Op de universiteit had neef Joshua te hard gestudeerd en te veel nagedacht; hij las zich in feite regelrecht de negentiende eeuw uit. Hij hulde zich in een wijde overjas met losse cape en droeg laarzen die hij door een smid had laten maken naar zijn eigen ontwerp. Neef Joshua werd gedwarsboomd door de autoriteiten toen hij op de rector van de universiteit schoot, die in zijn ogen weinig meer was dan een rioolwaterzuiveringsdeskundige. Dat was ongetwijfeld juist, maar een zwak excuus voor een aanslag met een dodelijk wapen. Na veel heen-en-weergeschuif met geld werd neef Joshua uit de samenleving verwijderd en van staatswege ondergebracht in een tehuis voor ontoerekeningsvatbaren, waar hij de rest van zijn leven verbleef. Men zei dat hij in alle opzichten normaal was, totdat er iemand de naam van die rector liet vallen; dan vertrok zijn gezicht en nam hij de houding aan van een trompetkraanvogel, wat hij acht uur of langer volhield, en waarbij niets of niemand hem ertoe kon brengen zijn been te laten zakken voordat hij die man weer vergeten was. Op heldere dagen las Joshua Grieks en hij liet een dun bundeltje gedichten na dat hij in eigen beheer door een firma in Tuscaloosa had laten drukken. Die poëzie was haar tijd zo ver vooruit dat niemand haar nog had kunnen ontcijferen, maar Jean Louises tante had het bundeltje achteloos maar prominent op een tafel in de woonkamer geëtaleerd.

Jean Louise lachte hardop en keek toen om zich heen of iemand haar had gehoord. Haar vader had de gewoonte om zijn zusters college over de aangeboren voortreffelijkheid van de een of andere Finch te ondergraven; hij vertelde zijn dochter altijd de rest van het verhaal, op gedempte en plechtige toon, hoewel Jean Louise weleens een onmiskenbaar spotlichtje in de ogen van Atticus Finch meende te kunnen ontdekken, of was het alleen maar een schittering in de glazen van zijn bril? Ze wist het nooit zeker.

De trein gleed nu door een zacht golvend landschap met niets dan grasland en zwarte koeien van haar coupéraam tot de horizon. Ze vroeg zich af waarom ze haar land nooit mooi had gevonden. Het station van Montgomery lag verscholen in een bocht van de Alabama en toen ze uit de trein stapte om even haar benen te strekken kwam de sfeer van vroeger – de kleurloosheid, de lichten en de vreemde geuren – haar tegemoet. Er ontbreekt iets, dacht ze. Oververhitte asblokken, dat is het. Er loopt een man langs de trein met een koevoet. Je hoort een klap en dan gesis, er stijgt witte damp op en je waant je opeens in een schotelwarmer. Tegenwoordig werken die dingen op olie.

Ze werd opeens bevangen door een oude angst. Ze was twintig jaar niet meer in dit station geweest, maar toen ze als kind met Atticus naar de hoofdstad reisde, was ze doodsbang geweest dat de slingerende trein van de rivieroever omlaag zou storten en ze allemaal zouden verdrinken. Maar bij het instappen voor het laatste stuk van de reis was ze het weer vergeten.

De trein ratelde door naaldbossen en claxonneerde spottend naar een vrolijk geschilderd museumstuk met trechterschoorsteen dat op een zijspoor op een open plek in het bos stond geparkeerd. De locomotief droeg de naam van een houtkapbedrijf, en de Crescent Limited had hem met huid en haar kunnen verzwelgen en dan nog ruimte overgehad. Greenville, Evergreen, Maycomb Junction. Ze had de conducteur gevraagd niet te vergeten haar te laten
uitstappen, en omdat hij een man op leeftijd was, verwachtte ze dat hij een grap met haar zou uithalen: hij zou in volle vaart op Maycomb Junction aanstormen, om pas vierhonderd meter na het stationnetje de trein te laten stoppen. Dan zou hij haar groeten en zeggen dat het hem speet, maar dat hij haar bijna vergeten was. Treinen veranderden, maar conducteurs nooit. Grappen maken met jongedames op verzoekhaltes was een beroepstrekje en Atticus, die de daden van iedere conducteur van New Orleans tot Cincinnati kon voorspellen, zou dan ook keurig op nog geen zes passen afstand van het punt waar zij uitstapte staan wachten.

Haar thuis was Maycomb County, een kiesdistrict van ruim honderd kilometer lang en nog geen vijftig op z’n breedst, een wildernis met hier en daar een gehucht of stadje, waarvan Maycomb, het bestuurlijke centrum, het grootste was. Tot nog betrekkelijk kortgeleden leefde Maycomb County zo geïsoleerd van de rest van het land dat sommige inwoners, onkundig van de politieke voorkeur van het Zuiden gedurende de laatste negentig jaar, nog steeds voor de republikeinen stemden. Er kwamen geen treinen – Maycomb Junction, een beleefdheidstitel, lag in Abbott County, dertig kilometer verderop. Vervoer per bus was onbetrouwbaar en ging nergens heen, maar de federale regering had een stuk of twee autowegen door het moeras laten aanleggen, om de bewoners toch nog een uitweg te bieden. Alleen werd er maar door weinigen gebruik van gemaakt, en waarom zouden ze ook? Als je niet veel nodig had, was er genoeg.

De county en het stadje waren vernoemd naar een zekere kolonel Mason Maycomb, een man die met zijn misplaatste zelfvertrouwen en buitensporige eigengereidheid verwarring en verbijstering zaaide onder alle troepen onder zijn bevel in de oorlog tegen de Creek-indianen. Het gebied waarin hij opereerde was in het noorden enigszins heuvelachtig en in het zuiden vlak, waar het afliep naar de kust. Kolonel Maycomb, in de overtuiging dat indianen niet wilden vechten op vlak land, kamde het hele noorden uit op zoek naar indianen. Toen zijn generaal erachter kwam dat Maycomb door de heuvels dwaalde terwijl er in elk naaldbosje in het zuiden Creeks op de loer lagen, stuurde hij een bevriende indiaanse koerier naar hem toe met de boodschap Ga naar het zuiden, verdomme. Maycomb was ervan overtuigd dat het een list van de Creeks was om hem in de val te lokken (was hun aanvoerder geen roodharige duivel met blauwe ogen?); hij nam de bevriende indiaanse koerier gevangen en trok nog verder naar het noorden, tot zijn troepen reddeloos in het oerbos verdwaalden, waar ze de oorlog in grote verbijstering uitzaten.

Toen er voldoende jaren waren verstreken om kolonel Maycomb ervan te overtuigen dat de boodschap toch geen krijgslist was geweest, begon hij een vastberaden mars naar het zuiden, waarbij zijn troepen van kolonisten die naar het binnenland trokken hoorden dat de oorlog tegen de indianen zogoed als voorbij was. Tussen de troepen en de kolonisten boterde het zo goed dat ze Jean Louise Finch’ voorouders werden, en kolonel Maycomb stootte door naar wat nu Mobile is om zich ervan te verzekeren dat zijn wapenfeiten op hun juiste waarde werden geschat. De geschreven geschiedenis komt hier niet met de ware toedracht overeen, maar dit zijn de feiten zoals die in de loop der jaren mondeling zijn overgeleverd, en ze zijn iedere Maycomber bekend.

‘… ga uw koffers maar halen, juffrouw,’ zei de witkiel. Jean Louise volgde hem van het salonrijtuig naar haar coupé. Ze haalde twee dollarbiljetten uit haar portefeuille, het ene als normale fooi, het andere voor haar bevrijding de avond tevoren. De trein raasde vanzelfsprekend in volle vaart langs het station en kwam vierhonderd meter verderop tot stilstand. De conducteur verscheen grinnikend en zei dat het hem speet, hij was het bijna vergeten. Jean Louise grinnikte terug en wachtte vol ongeduld tot de witkiel het gele trapje had vastgemaakt. Hij hielp haar met uitstappen en ze gaf hem de twee dollarbiljetten.

Haar vader stond haar niet op te wachten.

Ze keek langs de spoorlijn naar het station en zag een lange man op het perronnetje staan. Hij sprong omlaag en holde naar haar toe. Hij omhelsde haar onstuimig, duwde haar van zich af, kuste haar hard op de mond, kuste haar toen teder. ‘Niet hier, Hank,’ mompelde ze, genietend. ‘Stil, meisje,’ zei hij, met haar gezicht in zijn handen. ‘Ik kus je zelfs op de trappen van het gerechtsgebouw als ik daar zin in heb.’

De bezitter van het recht om haar op de trappen van het gerechtsgebouw te kussen was Henry Clinton, haar vriend voor het leven, de kameraad van haar broer, en als hij haar op deze manier bleef kussen haar toekomstige echtgenoot. Heb lief wie je wilt, maar trouw met je eigen soort, was een devies dat in haar een instinct leek. Henry Clinton was Jean Louises eigen soort, en met het devies viel in dit geval voor haar wel te leven.

Ze liepen gearmd langs de spoorbaan om haar koffer op te halen.‘Hoe gaat het met Atticus?’ vroeg ze.

‘Hij heeft de laatste tijd veel last van zijn handen en schouders.’

‘En dan kan hij niet autorijden, zeker?’

Henry sloot de vingers van zijn rechterhand tot halverwege en zei: ‘Verder kan hij zijn hand niet sluiten. Juffrouw Alexandra moet zijn schoenveters strikken en zijn overhemd dichtknopen als hij weer zo’n aanval heeft. Dan kan hij zelfs geen scheermes vasthouden.’

Jean Louise schudde haar hoofd. Ze was te oud om luidkeels tegen de onrechtvaardigheid van haar vaders verlammende kwaal te protesteren, maar te jong om die zonder slag of stoot te accepteren. ‘Is er dan helemaal niks aan te doen?’

‘Je weet dat er niks aan gedaan kan worden,’ zei Henry. ‘Hij slikt vierenhalve gram aspirine per dag en dat is het dan.’

Henry pakte haar zware koffer op en ze liepen naar de auto. Ze vroeg zich af hoe zij zich zou gedragen als ze zelf dag in dag uit pijn zou hebben. Zeker niet zoals Atticus: als je hem vroeg hoe hij zich voelde, vertelde hij het je, maar hij klaagde nooit; zijn gemoedsgesteldheid bleef hetzelfde, dus als je wilde weten hoe het met hem was, moest je het hem vragen.

De enige manier waarop Henry erachter kwam, was bij toeval. Toen ze een keer in het archief van het gerechtsgebouw een eigendomsclaim van een stuk land onderzochten, trok Atticus een zwaar hypotheekregister van de plank, waarna hij spierwit werd en het boek liet vallen. ‘Wat is er?’ had Henry gezegd. ‘Gewrichtsreuma. Zou je het even voor me willen oprapen?’ zei Atticus. Henry vroeg hem hoelang hij er al last van had; een halfjaar, zei Atticus. Wist Jean Louise ervan? Nee. Dan kon hij het haar maar beter vertellen. ‘Als je ’t haar vertelt, komt ze hiernaartoe en gaat ze proberen me te verplegen. Het enige wat je kunt doen is je er niet door laten verslaan.’ Daarmee was het onderwerp afgedaan.

‘Wil jij rijden?’ vroeg Henry.

‘Doe niet zo raar,’ zei ze. Hoewel ze heel behoorlijk chauffeerde, had ze er een hekel aan een mechaniek te bedienen dat ingewikkelder was dan een veiligheidsspeld: opklapbare tuinstoelen irriteerden haar mateloos, fietsen of typen had ze nooit willen leren, ze viste met een bamboestok. Haar lievelingssport was golf, omdat je daar niets anders voor nodig had dan een club, een balletje en een bepaalde gemoedstoestand.

Groen van jaloezie zag ze hoe moeiteloos Henry de auto bediende. Auto’s doen wat hij wil, dacht ze.

‘Stuurbekrachtiging? Automatische versnelling?’ vroeg ze.

‘Reken maar,’ zei hij.

‘Maar als alles het laat afweten en je kunt niet meer schakelen, dan heb je een probleem, of niet?’

‘Maar alles laat het niet afweten.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Een kwestie van vertrouwen. Kom eens hier.’

Vertrouwen in General Motors. Ze legde haar hoofd op zijn schouder.

‘Hank,’ zei ze even later. ‘Wat is er nu echt gebeurd?’

Dit was een oude grap tussen hen beiden. Een roze litteken begon onder zijn rechteroog en liep via de hoek van zijn neus dwars over zijn bovenlip. Achter zijn lip zaten zes valse voortanden, die hij er zelfs niet op verzoek van Jean Louise uit wilde halen om ze te laten zien. Hij was ermee uit de oorlog gekomen. Een Duitser had hem, meer uit ongenoegen over het einde van de oorlog dan om iets anders, met een geweerkolf in zijn gezicht geslagen. Jean Louise had besloten dit als een plausibel verhaal te beschouwen: nu ze tegenwoordig met kanonnen over de horizon schoten en elkaar met b-17’s, vliegende bommen en dergelijk tuig bestookten, was Henry waarschijnlijk nooit binnen spuugafstand van de Duitsers geweest.

‘Oké, schatje,’ zei hij. ‘We zaten in een kelder in Berlijn. Iedereen had te veel gezopen en er ontstond een vechtpartij – je hoort toch graag een geloofwaardig verhaal? Wil je nu met me trouwen?’

‘Nog niet.’

‘Waarom niet?’

‘Ik wil spelen tot ik dertig ben, net als Albert Schweitzer.’

‘Die speelde als de beste,’ zei Henry somber.

Jean Louise schoof onder zijn arm. ‘Je weet wel wat ik bedoel,’ zei ze.

‘Ja.’

Er bestond volgens de burgers van Maycomb geen voortreffelijker jongmens dan Henry Clinton. Jean Louise was het daarmee eens. Henry kwam uit het zuiden van de county. Zijn vader had kort na Henry’s geboorte zijn moeder verlaten en ze had in haar buurtwinkeltje dag en nacht gewerkt om Henry naar school te kunnen sturen. Henry was vanaf zijn twaalfde in de kost in een huis tegenover dat van de familie Finch, en alleen al daardoor behoorde hij tot een hogere klasse: hij was eigen baas, niet onderworpen aan het gezag van kokkinnen, tuinlui en ouders. Ook was hij vier jaar ouder dan zij, destijds een belangrijk verschil. Hij plaagde haar; zij aanbad hem. Toen hij veertien was stierf zijn moeder, die hem vrijwel niets naliet. Atticus Finch beheerde het beetje geld dat de verkoop van het winkeltje had opgebracht – het meeste ging op aan haar begrafenis –, vulde het in het geheim aan met zijn eigen geld en bezorgde Henry een baantje na schooltijd als winkelbediende bij de Jitney Jungle. Henry deed eindexamen en ging in militaire dienst, en na de oorlog ging hij naar de universiteit om rechten te studeren.

Omstreeks diezelfde tijd viel Jean Louises broer plotseling dood neer, en toen die nachtmerrie voorbij was ging Atticus, die altijd van plan was geweest zijn praktijk aan zijn zoon over te doen, op zoek naar een andere jonge kandidaat. Zijn keuze voor Henry lag voor de hand, en na verloop van tijd werd Henry zijn buitendienstman, zijn ogen en zijn handen. Henry had altijd veel achting gehad voor Atticus Finch; algauw werd die achting genegenheid
en ging hij hem zien als een vader.

Hij beschouwde Jean Louise niet als een zus. In de jaren dat hij afwezig was, tijdens de oorlog en gedurende zijn studie aan de universiteit, was ze van een nukkig, onhandelbaar wicht in een overall veranderd in een redelijk geslaagde kopie van een mens. Tijdens haar jaarlijkse bezoek van twee weken aan haar huis begon hij haar mee uit te vragen, en hoewel ze zich nog steeds bewoog als een jongen van dertien en niets van vrouwelijke opschik moest hebben, ervoer hij iets zo intens vrouwelijks in haar dat hij verliefd op haar werd. Ze was een aangename verschijning en doorgaans aangenaam in de omgang, maar ze was in geen enkel opzicht een gemakkelijk mens. Ze leed aan een rusteloosheid van geest die hem vreemd was, maar hij wist dat ze voor hem bestemd was. Hij wilde haar beschermen, hij wilde met haar trouwen.

‘Nog geen genoeg van New York?’ vroeg hij.

‘Nee.’

‘Geef me deze twee weken de vrije hand, dan zorg ik dat je er genoeg van krijgt.’

‘Is dat een oneerbaar voorstel?’

‘Ja.’

‘Val dan maar dood.’

Henry bracht de auto tot stilstand. Hij zette de motor af, draaide zich om en keek haar aan. Ze wist wanneer het hem ernst met iets was; dan ging zijn stekeltjeshaar als een borstel overeind staan, kreeg hij een kleur en werd zijn litteken rood.

‘Lieveling, wil je dat ik je als een heer de vraag stel? Jean Louise Finch, ik heb nu een economische status bereikt waarmee ik in ons beider levensonderhoud kan voorzien. Ik heb, net zoals Israël destijds, zeven jaar in de wijngaard van de universiteit en de weiden van je vaders kantoor voor jou gearbeid –’

‘Ik zal Atticus zeggen dat hij er nog zeven jaar bij moet doen.’

‘Een rotstreek.’

‘Bovendien,’ zei ze, ‘was het Jacob. O nee, ze waren dezelfde persoon. Ze veranderden om het andere Bijbelvers van naam. Hoe is het met tante?’

‘Je weet heel goed dat het al dertig jaar uitstekend met haar gaat. Verander niet van onderwerp.’

Jean Louises wenkbrauwen schoten omhoog. ‘Henry,’ zei ze nuffig, ‘ik wil best een verhouding met je hebben, maar ik wil niet met je trouwen.’

Het was precies goed.

‘Doe niet zo verdomde kinderachtig, Jean Louise!’ sputterde Henry, en de laatste snufjes van General Motors vergetend greep hij naar een versnellingspook en trapte hij naar een koppelingspedaal. Bij gebrek daaraan draaide hij woest de contactsleutel om, drukte een paar knoppen in en de limousine zette zich zacht en soepel in beweging.

‘Slechte acceleratie, hè?’ zei ze. ‘Niks voor in de stad.’

Henry keek haar woest aan. ‘Wat wil je daarmee zeggen?’

Nog even en ze kregen ruzie. Het was hem menens. Ze kon hem maar beter woedend maken, dan hield hij zijn mond en kon zij nadenken.

‘Hoe kom je aan die afschuwelijke das?’ vroeg ze.

Nu.

Ze was bijna verliefd op hem. Nee, dat is onmogelijk, dacht ze: dat ben je of dat ben je niet. Liefde is het enige ter wereld wat ondubbelzinnig is. Er zijn verschillende soorten liefde, natuurlijk, maar het is in alle gevallen een kwestie van je doet het of je doet het niet. Ze was iemand die, als ze kon kiezen tussen een gemakkelijke uitweg en een moeilijke, altijd voor de moeilijke koos. De gemakkelijke uitweg in dit geval was trouwen met Hank en hem voor haar laten werken. Na een paar jaar, als de kinderen tot haar middel kwamen, zou de man langskomen met wie ze eigenlijk had moeten trouwen. Er zou gewetenswroeging zijn, spanning en irritatie, verlangende blikken op de trap van het postkantoor en narigheid voor iedereen. Na het geschreeuw en de hoge ethische principes restte er nog slechts een pover avontuurtje zoals die zich afspeelden in de kring van de Birmingham Country Club en een zelfgemaakte privéhel voorzien van de nieuwste Westinghouse-apparatuur. Dat verdiende Hank niet. Nee. Voorlopig zou ze het steenachtige pad der ongehuwde staat blijven volgen. Ze besloot de vrede te herstellen met behoud van eer.

‘Het spijt me, schat, het spijt me echt,’ zei ze, en ze meende het.

‘Het is al goed,’ zei Henry, en hij sloeg haar op haar knie. ‘Alleen kan ik je soms wel vermoorden.’

‘Ik ben een kreng, dat weet ik.’

Henry keek haar aan. ‘Je bent een rare, m’n schat. Jij kunt niet huichelen.’

Ze keek hem aan. ‘Wat wil je daarmee zeggen?’

‘Nou, de meeste vrouwen die nog geen man hebben, tonen de mannen een lachend, instemmend gezicht. Ze zeggen niet wat ze denken. Maar jij, schat, als jij jezelf een kreng vindt, dan bén je het ook.’

‘Is het dan niet eerlijker dat een man van tevoren kan zien waar hij aan begint?’

‘Ja, maar besef je niet dat je op die manier nooit een man zult strikken?’

Het was een waarheid waar ze niet omheen kon, dus zei ze: ‘Hoe moet ik het dan aanleggen om een man te betoveren?’

Henry begon er plezier in te krijgen. Op zijn dertigste was hij nu een huwelijksadviseur. Misschien kwam het doordat hij advocaat was. ‘Ten eerste,’ zei hij kalmpjes, ‘hou je mond. Ga niet in discussie met een man, en vooral niet als je weet dat je hem kunt verslaan. Blijf glimlachen. Zorg dat hij zich belangrijk voelt. Zeg hem dat hij geweldig is en bedien hem op zijn wenken.’ Ze glimlachte stralend en zei: ‘Hank, ik ben het helemaal met je eens. Je bent de scherpzinnigste man die ik in jaren heb ontmoet, je bent één meter vijfennegentig lang, en mag ik je een vuurtje geven voor je sigaret? Hoe vind je dat?’

‘Afschuwelijk.’

De vrede was weer getekend.

Harper Lee: Ga Heen, zet een wachter vertaling: Ko Kooman, De Bezige Bij, 282 blz. € 19,90

Lees ook: Eerste hoofdstuk nieuwe Harper Lee online - ‘belangrijkste boek van het jaar’