Mijn persoonlijk hitteplan

Pieter Steinz heeft de spierziekte ALS en verbindt het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Deze week: L’étranger van Albert Camus

llustratie Marike Knaapen illustratie marike knaapen

De hemel was reeds bijna vol zon. Ze begon op de aarde te drukken en de warmte nam snel toe. [...] Nu maakte de mateloze zon het landschap, dat trilde in haar licht, onmenselijk en neerdrukkend.

In veel romans worden verstikkende temperaturen in geuren en kleuren opgeroepen, bijvoorbeeld in Under the Volcano van Malcolm Lowry of Heart of Darkness van Joseph Conrad. Maar in geen enkele speelt de zon zo’n belangrijke rol als in L’étranger van Albert Camus (vertaald door Adriaan Morriën als De vreemdeling). Bij alle handelingen van de hoofdpersoon, Meursault, is de Algerijnse hitte voelbaar – of hij nu zijn moeder begraaft, met zijn vriendin vrijt of om onduidelijke redenen een Arabier doodschiet op het strand. Als Meursault tijdens zijn proces wordt gevraagd waarom hij de moord pleegde, antwoordt hij ‘dat het door de zon was gekomen’; en hoewel hij toegeeft dat zoiets belachelijk klinkt, is dat voor de lezer heel plausibel.

De zon viel bijna loodrecht op het zand neer en haar schittering op de zee was ondraaglijk. [...] Men kon nauwelijks ademen in de stenen hitte die van de grond opsteeg [...] Ik dacht nergens aan, omdat ik half liep te slapen door al dat zonlicht op mijn blote hoofd.

Tegen een hittegolf moet iedereen zich wapenen, maar volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid zijn het vooral zuigelingen, bejaarden en chronisch zieken die gevaar lopen. En zo bevond ik mijzelf anderhalve week geleden plotseling middenin de doelgroep van het Nationaal Hitteplan. Extra water, extra koeling, extra rust was geboden. Aangeraden werd ook om je zo min mogelijk bloot te stellen aan de zon, maar dat zou me weinig moeite kosten; sinds mijn laatste verblijf in het ziekenhuis zie ik huizenhoog op tegen een wandelingetje in de tuin.

Omdat ALS de ademhalingspieren verslapt, maakte ik me vooral zorgen over mogelijke benauwdheid. In de lente had ik gemerkt dat met het stijgen van de luchtdruk mijn kortademigheid toenam, terwijl vanaf 25 graden een extra uurtje aan het beademingsapparaat noodzakelijk werd. Nu werden temperaturen boven de dertig voorspeld – zelfs op de koelste plaatsen van het huis zou ik me daar niet aan kunnen onttrekken. En de meeste huis-, tuin- en keukentrucs om af te koelen – waterijsjes, koude dranken, lauwe baden – waren op mij niet van toepassing. Zelfs het extra water dat ik twee maal daags ingespoten kreeg, mocht niet te koud zijn aangezien ik anders maagpijn zou krijgen.

De zon scheen nu verpletterend. Ze brak in stukken op het zand en de zee. [...] Al die hitte drukte op me en verzette zich ertegen dat ik verder liep. En iedere keer dat ik haar geweldige adem op mijn gezicht voelde, klemde ik de tanden op elkaar, balde ik mijn vuisten in de zakken van mijn broek en spande al mijn krachten in om te zegevieren over de zon en de ondoordringbare dronkenschap die zij over mij uitstortte.

De hittegolf kwam, het werd 34 graden, maar de schade bleef beperkt. In de eerste plaats door de flinke bries die er in Haarlem waaide en de donkere wolken die zich op verschillende dagen laat in de middag ontwikkelden. Daarnaast doordat ik me keurig gedeisd hield: ik kwam nauwelijks buiten, hield lange siësta’s en bracht de rest van de tijd door op een stoel, lethargisch als Camus’ Meursault in zijn appartement, de rechtszaal en uiteindelijk de gevangenis. Waarbij ik me gelukkig prees dat ik niet ook de sombere gedachten van Meursault overnam, met zijn ‘ieder weet dat het leven niet de moeite waard is te worden geleefd’ en ‘op het moment dat men sterft, is het van geen belang hoe en wanneer dat gebeurt.’

De belangrijkste reden dat ik de hittegolf goed doorstond, was dat ik uitstekend sliep. Met vooruitziende blik had mijn vrouw een maand geleden een airco in onze slaapkamer laten installeren, nadat ik ’s nachts een paar keer door de bedomptheid van de vroege zomer in ademnood was gekomen. De kamer ontwikkelde zich tot een oase in de woestijn van hete lucht die gevangen zat in het trappenhuis; het temperatuurverschil was zeker vijftien graden.

We beschouwen de hittegolf van begin juli 2015 dan ook als een geslaagde generale repetitie voor de hittegolven die ongetwijfeld nog komen. Alleen het leesvoer moet met meer zorg gekozen worden. Nu bracht ik mijn uren door met Camus’ L’étranger en Harper Lee’s To Kill a Mockingbird, dat zich afspeelt in vochtig-warm Alabama en dat begint met de beschrijving van een hete zomerdag waarop de gesteven boorden van de mannen al om negen uur ’s ochtends slap hangen. Bij de volgende hittegolf kan ik me beter terugtrekken met het antarctische laatste hoofdstuk van Poe’s Narrative of Arthur Gordon Pym of met de Russische-winterscènes uit Tolstojs Oorlog en vrede. En als het echt onhoudbaar wordt, is er altijd nog De overwintering der Hollanders op Nova Zembla van Hendrik Tollens, pure airco-poëzie uit 1819:

De kou stuift in, en stolt den wasem weer tot ijs,

En kruipt de kooijen rond en vriest de tijken grijs.