‘Mijn egogrenzen waren opgelost’ 

Prinses Irene van Lippe-Biesterfeld (75) wil mensen de natuur laten ‘ontmoeten’. Bij een pannekoekenrestaurant vertelt ze over haar verhuizing, Afrika en haar werk: „Je moet mensen in hun hart aanraken.”

Foto: Merlijn Doomernik

Geen pannekoek voor de prinses, liever een salade. Geen vlees erop, geen vis en graag een glas water. Plat water. Later die middag zal Irene van Lippe-Biesterfeld (75) zeggen dat ze inderdaad altijd heel bewust nadenkt over wat ze eet en wat niet. „Als ik verkeerd eet, voel ik me niet goed. En ik vind het zonde om een dag te missen door me niet goed te voelen.” Tegen die tijd had ik al een wagenwiel met spek en kaas op. We zaten bij pannekoekenboerderij Meyendel, haar idee, in een natuurgebied diep in de duinen. Ze woont er sinds kort in de buurt, in Wassenaar.

Ze komt aangelopen vanaf de parkeerplaats; platte witte schoenen, blauw-wit gebloemde broek, parelwitte blouse. Elegant, haar blik iets afwachtend. Onder haar arm het pas verschenen boek Duurzaamheid van binnenuit en aan haar zijde haar medewerker Mieke Ansems. Zij gaat naar binnen om te bestellen, Irene van Lippe-Biesterfeld zoekt ondertussen een plek op het terras. Ze aarzelt. Overweegt hardop of we soms een tafel apart zullen zetten, uit de zon en weg van de andere gasten. Kiest dan, kordaat, een tafel in het allerdrukste gedeelte.

Ze had geen medewerker hoeven meenemen om haar bij dit gesprek te assisteren, zo voorzichtig formuleert ze zelf. Al te vrijuit spreken is haar wel tegengemaakt toen ze in 1995 een interview gaf over het boek dat ze toen had geschreven. Dialoog met de natuur gaat over haar spirituele ervaringen en de verbondenheid die ze voelt met de natuur. Lees daarin hoe zij over het leven denkt en je begrijpt waarom ze gezond eet: „Ik zie de mensensoort als één groot lichaam, ieder mens afzonderlijk daarin een cel van dat lichaam. Als er één cel lekker in haar vel zit, gezond is en tevreden (...) is dat van vitaal belang voor het hele lichaam.” Ze schreef in dat boek ook over haar gesprekken met een boom, over haar contact met dolfijnen en haar dagelijkse groet aan de zon. En daar is het misgegaan. Het boek is zes keer herdrukt, een bestseller en in vele talen vertaald, maar de schrijfster ervan werd bespot en weggezet als zweefprinses en bomenknuffelaar.

In haar bijdrage in Duurzaamheid van binnenuit zegt Irene dat ze die „zeer pijnlijke ervaring” van twintig jaar geleden heeft weten te „transformeren tot innerlijke kracht”. Juist moeilijke momenten in het leven, een scheiding of een ziekte, blijken achteraf een cadeau, zegt ze. Zij heeft haar spirituele ontwaking te danken aan zo’n persoonlijke crisis. Het was begin jaren tachtig, ze was net gescheiden van de Spaanse troonpretendent Carlos Hugo de Bourbon de Parme, en keerde met haar vier kinderen uit Spanje terug naar Nederland waar ze, tijdelijk, bij haar ouders introk op paleis Soestdijk. Ze gaf trainingen transcultureel leiderschap, doceerde bij het centrum voor intuïtieve ontwikkeling in Utrecht en ondertussen was er een ingrijpende verbouwing gaande in het huis waar ze zou gaan wonen (villa Mariënhove in Wijk bij Duurstede). Dan kun je zeggen: ‘Ik was ontzettend moe’. Zij zegt: „Mijn egogrenzen waren opgelost.” Om uit te rusten ging ze wandelen in de bergen in Zwitserland. Sommige mensen zeggen dan: ‘Wat is de natuur hier verschrikkelijk mooi’. Zij zegt: „Ik voelde me een speldenknopje worden in het geheel van het leven.”

Dan kun je heel hard gaan lachen natuurlijk, als iemand zoiets zegt. Vooral als ze ook nog het jongere zusje van de koningin is. En je kunt ook zeggen: een maand met dolfijnen zwemmen op Hawaï omdat je op een ochtend wakker werd en „intuïtief” begreep dat ze je riepen, dat wil élke gescheiden moeder met vier kinderen wel. Maar feit is dat 40 procent van de Nederlandse bevolking gerekend kan worden tot de ‘nieuw-spirituelen’. Dat blijkt uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau. Dus je kunt ook denken: die prinses, die al twintig jaar hamert op het belang van natuur en gevoel, die heeft misschien toch een punt.

In het boek Duurzaamheid van binnenuit komen, naast de prinses zelf, nog negen „duurzame denkers en doeners” aan het woord, die vertellen over hun soms intense ontmoetingen met de natuur. Peter Blom, directievoorzitter van de Triodosbank. Klaas van Egmond, hoogleraar geowetenschappen; Matthijs Schouten, professor ecologie. Allemaal mensen die, net als Irene van Lippe-Biesterfeld, iets meemaakten of voelden dat „niet gek of raar is”, maar juist de basis werd van hun engagement. Allemaal mensen, die zij de afgelopen jaren om zich heen verzamelde. Samen vormen ze het bestuur van het NatuurCollege, een door haar opgerichte denktank over duurzaamheid.

Salades zijn er niet bij Meyendel, het wordt een broodje gezond. De plantjes gaan van tafel om plaats te maken voor mijn pannekoek. Twee mannen met enorme verrekijkers komen achter ons zitten. „Vogelaars”, fluistert Irene. Ze is naar Wassenaar verhuisd voor haar kinderen en kleinkinderen. Twee van de vier wonen in Den Haag. „Kun je je voorstellen dat sommige kinderen niets anders kennen dan de stad?” Ik beken dat ik het eerste bos dat ik als kind bezocht, vond ruiken naar dennenshampoo. Ze schudt haar hoofd, meewarig. „Elk kind heeft recht op natuurcontact”, zegt ze. Met haar NatuurCollege heeft ze het programma Natuurwijs ontwikkeld; een lesprogramma voor basisscholieren. „Boswachters leren de kinderen op een diepere manier de natuur te ervaren. Met hun hart, hun hoofd en hun handen.”

Vanochtend nog stond ze voor een groep van veertig studenten van de Universiteit van Utrecht. „Ik vroeg: wie van jullie is optimistisch over de toekomst van de wereld? Vier staken hun hand op. Vier.” Ze verheft haar stem lichtjes. „Hoe kun je pessimistisch over de wereld zijn als je zelf deelgenoot bent van die wereld? Je bent een druppel in de oceaan van het leven...” Dan ben je ook pessimistisch over jezelf, bedoelt ze dat? „Exact. Alles is met alles verbonden. De planten, de dieren, de stenen, en de mens. Daarom is wat jij denkt en wat jij doet belangrijk.”

Dikke ik

Ik dacht dat het probleem nou juist was dat mensen zich té belangrijk voelen, wat premier Mark Rutte het ‘grote dikke ik’ noemt. Subtiel lachje. „It’s a fine line, natuurlijk.” Wat zij bedoelt te zeggen is: „Als je jezelf de moeite waard vindt, neem je de juiste beslissingen.” Om wat te doen? „Om geen drugs te nemen, geen alcohol, jezelf niet te verwaarlozen.” Ik had verwacht dat ze zou zeggen: dan rij je niet in een dikke auto, of dan neem je niet twintig keer per jaar het vliegtuig naar Bali. Ze schudt haar hoofd. „Dat vind ik ook. Maar iedereen moet daarin zijn eigen afweging maken. Ik ga niet calvinistisch streng zijn.”

Voor haar is het kristalhelder: de mens is afgesneden geraakt van de natuur, van andere mensen en van zichzelf. Zij weet hoe erg het is om „afgescheiden te zijn”. Ze kwam als zesjarig prinsesje terug uit Canada en leefde de rest van haar jeugd achter hekken. Er zijn jaren geweest dat ze geen Prinses genoemd wilde worden, omdat de titel alleen al afstand schiep. „Ik was jarenlang een beetje een hermit.” Een kluizenaar. Bij haar was het de natuur die haar „gevoel van afgescheidenheid” ophief. En ze denkt dat dat bij anderen ook zo kan werken. „Als de relatie mens-natuur is hersteld, herstelt vaak ook de relatie mens-mens.” Maar mensen laten zich daartoe niet dwingen of overtuigen. „Dat heb ik in mijn politieke leven wel afgeleerd.” Ze streed tegen de Spaanse generaal Franco, tegen kernwapens, tegen racisme en tegen seksisme. „Als mensen in hun hart geraakt worden, kan verandering ontstaan.”

Vertel eens over Afrika, suggereert haar medewerkster. Zuid-Afrika, het land waar ze wegens de apartheidspolitiek nooit heen wilde. Ze ging toch, eind jaren negentig, met haar vader. „Hij was al oud, we wilden nog een keer samen een reis maken.” Ze raakte op slag verliefd op het land. In 1999 heeft ze, in Bergplaas, 5.000 hectare land gekocht van een failliete, blanke boer. Ze verwijderde alle hekken en herintroduceerde er de blesbokken, zebra’s en witstaartgnoes die er oorspronkelijk wild rondliepen en gaf het land „terug aan zichzelf”.

Big five

Volgend jaar verschijnt het boek dat ze afgelopen winter schreef over haar Afrikaanse ervaringen. „Als je daar bent... zo ver van alles en iedereen vandaan, geen wifi, soms nauwelijks licht. Zo geconfronteerd met jezelf. Ik heb er zo veel geleerd.” Haar kennis gebruikt ze in trainingen die ze geeft aan groepen Nederlanders, maar ook aan de natuurgidsen die safari’s begeleiden.” Wat kon zij, als westerse vrouw, de Afrikanen leren? „Ze hebben al zo veel kennis van de natuur. Wij brengen ze in verbinding met hun gevoelskant, met hun eigen beleving van de natuur waardoor ze bezoekers van het natuurgebied in hun passie mee kunnen nemen.” Hoe? „Veel mensen zijn gefixeerd op het zien van de ‘big five’. Zien ze geen dieren, dan is hun safari mislukt. Laat mensen eens uit die terreinauto komen, laat ze voelen, ervaren. Vertel wat die olifant met jou doet, vertel niet alleen wat de naam is van die boom, maar ook over de medicinale krachten ervan.”

Met trainingen geven in Zuid-Afrika is ze vorig jaar gestopt. Maar haar werk gaat door. Ze geeft colleges, leidt rondetafelgesprekken, eind september geeft ze de Abel Herzberglezing, georganiseerd door dagblad Trouw en cultureel centrum De Rode Hoed. Waarom doet ze het allemaal? Ze kijkt verbaasd. Nou, zeg ik, ze hoeft het allemaal niet te doen. „Hoezo niet?” vraagt ze. Nou ja, gezien haar leeftijd en omdat ze... prinses is? „Dat vind ik zo’n gekke opmerking. Wat moet ik dan doen? Dit is geen werk, dit is mijn leven. En als je jezelf niet leeft, gooi je jezelf weg. Dit werk is mijn tweede natuur.” Ze schiet in de lach. „Gek om dat zo te zeggen. Het is natuurlijk mijn eerste natuur.”