MH17: een ramp die nooit meer ophoudt

Het is vrijdag precies een jaar geleden dat boven Oost-Oekraïne een Boeing 777 van Malaysia Airlines, die van Schiphol was opgestegen, werd neergehaald. Alle 298 inzittenden, onder wie 196 Nederlanders, kwamen om het leven. Deze diep ingrijpende gebeurtenis heeft het leven niet alleen voor de nabestaanden voorgoed veranderd, maar ook voor talloze anderen. Niet voor niets spreken velen sindsdien van de periode voor en na de ramp.

Een ramp die weer pijnlijk duidelijk maakte dat Nederland volop deel uitmaakt van een turbulente wereld waaraan niemand zich kan onttrekken. Onschuldige burgers stapten op 17 juli nietsvermoedend in het vliegtuig voor hun werk of voor vakantie. Drie uur later werden zij met de aanslag op hun vliegtuig slachtoffer van een conflict waaraan zij part noch deel hadden.

Vanaf het allereerste begin formuleerde het kabinet drie doelstellingen: repatriëring van de lichamen en persoonlijke bezittingen, onderzoek naar de toedracht van de ramp en het instellen van strafrechtelijk onderzoek.

Na de eerste verwarrende dagen, toen de logistiek moeizaam verliep, is de berging van stoffelijke overschotten en persoonlijke spullen langzaam op gang gekomen. Premier Rutte uitte twee dagen na het neerstorten van het toestel zware beschuldigingen aan het adres van de bewoners bij de rampplek. Op basis van – wat al snel bleek – zeer selectieve beelden had hij het over „volstrekt respectloos” en „ronduit walgelijk” gedrag van mensen die tussen de brokstukken liepen te „rotzooien”. Het lag genuanceerder. Enkele maanden later zette toenmalig minister Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD ) het geschetste beeld recht en had hij het over „gedegen werk” dat door Oekraïense hulpverleners was geleverd.

Directe Nederlandse aanwezigheid ter plekke had wellicht de eenzijdige, verkeerde interpretatie kunnen voorkomen. Maar Nederland wilde onder geen beding partij worden in het conflict en koos er aanvankelijk voor alle medewerkers in de Oekraïense hoofdstad Kiev te houden. Ver doorgevoerde neutraliteitspolitiek verhoudt zich moeilijk met improvisatievermogen waar die eerste dagen om werd gevraagd.

Hoewel bijna een jaar verstreken is, blijkt de ware toedracht, de tweede prioriteit van het kabinet, nog altijd onbekend. Het wachten is op het eindrapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat volgens de laatste berichten in de eerste helft van oktober kan worden verwacht. Dat is zeker voor de nabestaanden een lange tijd. Maar onvermijdelijk. Want hoewel er de nodige plausibele aanwijzingen lijken te zijn over wat er op die 17de juli is gebeurd, is er maar één instantie die het echte antwoord kan geven op de vraag naar de oorzaak. Dat is de Onderzoeksraad. Voor de opsporing en vervolging is meer nodig; dan gaat het om het sluitende bewijs. Te hopen valt slechts dat dit gevonden kan worden en dat het lange wachten in die zin ook beloond wordt.

De derde prioriteit van het kabinet, het strafrechtelijk onderzoek en de vervolging, is naar het zich nu laat aanzien nog de meest ingewikkelde. Op initiatief van Maleisië wordt binnen de Veiligheidsraad van de VN steun gezocht voor de oprichting van een international tribunaal. Het lijkt een logische oplossing, maar wel een die het gevaar in zich draagt van een ‘verpolitiekte’ rechtsgang. De bezwaren die Rusland, permanent Veiligheidsraadlid met vetorecht, reeds heeft aangetekend, zijn veelzeggend genoeg. Er zal dus naar alternatieven moeten worden gezocht waarbij tegen alle opties bezwaren zijn in te brengen.

De genoegdoening voor de nabestaanden van de 298 onschuldige slachtoffers zit in de opsporing en berechting van de daders. Een opdracht waartoe premier Rutte zich vorig jaar persoonlijk heeft verplicht. Dit mag niet vastlopen op obstructie van landen. Het zou de ramp alleen nog maar erger maken.