Lady Gaga voert Ahoy naar lang vervlogen jazztijden

Van ontspannen vingerknipjazz bij Tony Bennett en Lady Gaga tot toetsenstrelers en klavierbonkers in alle kleuren: het North Sea Jazz Festival begon vrijdag vol vuur.

Eerste dag op North Sea Jazz. Van links met klok mee:Cassandra Wilson, Terence Blanchard enMary J. Blige. Foto onder:Jarrod Lawson. Foto’s Andreas Terlaak

De 29-jarige Lady Gaga is een popdiva van wereldformaat. Vrijdagavond toonde ze op de 40ste editie van het North Sea Jazz Festival in Ahoy, Rotterdam, dat ze ook op een jazzfestival bepaald niet misstaat. Samen met de 88-jarige crooner Tony Bennett nam ze een afgeladen Maas-zaal overtuigend mee naar lang vervlogen tijden, met vertolkingen van de jazz-standards die ze opnamen voor het album Cheek to Cheek waarmee de twee begin dit jaar een Grammy Award wonnen.

De chemie tussen de crooner en de popdiva was aantoonbaar en leverde vocaal een mooie balans op tussen de verrassend krachtige klassieke zang van popster Gaga en de door de wol geverfde, wat breekbaar geworden nachtclubstem van Bennett – de levende geschiedenis zelve die in zijn strakke colbertjasje anekdotes oplepelde over Frank Sinatra en Charlie Chaplin.

Gaga stal de show vanaf het moment dat ze wulps in een zilveren glitterjurk het podium op schreed en de show startte met Cole Porters Anything Goes. Ze zong prachtig de opening van Irving Berlins Cheek to Cheek – „I’m in heaven…”– en bracht een kalm Nature Boy, vol drama en gevoel, gehuld in weer een nieuwe, doorschijnende outfit. Gaga wisselde tijdens Bennetts solo’s voortdurend van kleding, flirtte in een knalrode burlesque jurk met haar pianist, knuffelde en kuste Bennett en was even flamboyant als ingetogen. Hun ontspannen vingerknipjazz kreeg dankzij haar karaktervolle stem vaak net genoeg een eigen draai mee.

In een overvol jazzprograma domineerde, naast optredens van musici als jazzdrummer John Engels die ook op de eerste editie in 1976 optrad, vooral de jazzpiano met toetsenstrelers en klavierbonkers in alle kleuren. Dat begon met de vloeiende muzikaliteit van het nieuwe Amerikaanse talent Jarrod Lawson. In de Congo-tent buiten was hij met kraakheldere ‘blue eyed soul’ met Weather Report-achtige fusionjazz-elementen een makkelijke pianist die geen wonderen verrichtte. Lawson moest het vooral hebben van zijn stem die ogenblikkelijk trof: een breed dragende tenor die ver reikt en druipt van emotie.

Bij een rondgang langs de bovenzalen in het Ahoy-complex vonden verbeelding en diepgang elkaar bij de Vlaamse pianist Jef Neve. Neve kan weelderige melodieën schrijven die gaandeweg helemaal openbreken. Maar ook als hij een standard van Thelonious Monk of popsongs bewerkte, waren de uitvoeringen, met zowel jazz als klassieke componenten, rijk aan bombastische ontlading. Zijn uitvoering van Joni Mitchells Case of You was intens en van grote schoonheid.

Golvende drumpatronen in moderne jazzvormen stonden centraal in het pianotrio van drummer Tyshawn Sorey. Genieten was het ook bij de band van het jonge Britse-Nederlandse pianotalent Dominic J Marshall die soepele, eigentijdse jazz bracht. Met zijn bloemetjesbroek en ketting was hij een eigenzinnige musicus die, soms met gekruiste armen, koos voor breed uitgesponnen melodieën, leunend op de groove.

Uitkijken was het deze avond naar de titanenstrijd tussen jazzvernieuwers Herbie Hancock en Chick Corea in een dialoog die langs alle genres ging, net als in 1979 op North Sea Jazz. Maar het duurde toch nog wel even voor de zaal met vaste zitplaatsen – dit was een concert waarvoor extra moest worden betaald – gevuld was en de show kon beginnen. Eenmaal aan de vleugels tegenover elkaar bleek dit het concert waar je op hoopte: avontuurlijke jazzverkenningen waar het spelplezier en de kwaliteit vanaf spatte.

De twee werden ingeleid door een komische noot toen Chick Corea Herbie Hancock laconiek de vraag stelde wat „we hier eigenlijk gingen doen?” Waarop Hancock antwoordde: „alles en iets en dan weer terug naar niets.” Daar moesten ze dan maar mee beginnen, vond Corea.

Eigen klassiekers als Cantaloupe Island werden gespiegeld en gedraaid, met de melodie die ingenieus ingevlochten over en weer ging, in een bijna Steve Reich–achtige uitwerking. Een bijna intiem samenzijn waar toeschouwers deelgenoot van mochten zijn. Maar ook abstracter en experimenteler werk werd niet geschuwd met samples van scheurend papier en slaande deksels op prullenbakken.

De poproute van North Sea Jazz was eerder met verve afgetrapt door Nederlandse acts. Glorieus was het concert van Typhoon en zijn band, wegens ongekend succes op herhaling op het festival na een jaar lang met meesterwerk Lobi Da Basi te hebben rondgetrokken, en nu in vlammende bloedvorm op het grote podium in de Nile-zaal. De rapper en zijn muzikanten wisten de spanning steeds op te bouwen tot een ontladende climax. Hoogtepunten waren onder meer IJswater, met een huilende gitaar, een stuwende bas, een scattende Typhoon en de opbouw naar een kolkende ontlading, en het mooi intiem gezongen Sta Me Toe.

De jonge muzikanten van het Nederlandse Gallowstreet maakten op het propvolle Congo Square vroeg in het programma hun festivaldebuut en toonden zich onder de indruk van de op hun muziek meedeinende massa. „Dit is onze eerste keer op North Sea Jazz en, eh, fuck.” Het collectief overrompelde met zijn stevig groovende blazersfunk, met acht man op koper en een opzwepende ritmesectie.

In de Nile stond na jaren eindelijk zangeres Mary J. Blige, sinds de vroege jaren negentig koningin van de moderne hiphopsoul, weer op een Nederlands podium. Nog steeds met die vlammende, gloedvolle stem, vol attitude, en met een strakke, funky begeleidingsband en geweldige harmoniezang van een koortje. In een concert vol vaart, bleef het in nummers als Real Love een gouden combinatie: stevige hiphopgrooves met galmende drums, een paar krachtige soulzangeressen, en de karakterstem van Blige als stoere frontvrouw. Zoals zoveel op deze dag: nostalgisch en nog steeds helemaal van nu.