Kostbare tijd ging verloren

Na het bekend worden van de ramp met MH17 komt het kabinet snel bijeen. Maar al gauw is de vaart eruit: op de ambassade in Kiev spreekt niemand Russisch of Oekraïens, Nederlandse onderzoekers komen niet op de rampplek.

Als de Boeing 777 van Malaysia Airlines op 17 juli om 15.20:03 Nederlandse tijd boven Oost-Oekraïne uit de lucht wordt geschoten, heeft Ivo Opstelten net wat laatste dossiers voor zijn vakantie weggewerkt. Opgeruimd staat netjes. Er worden enkele handen geschud en weg is de minister van Veiligheid en Justitie; naar Rotterdam. De dag daarop moet Opstelten voor een kleine ingreep naar het ziekenhuis; „een liesbreukje”, zoals hij zelf bagatelliseert.

Minister van Buitenlandse Zaken Frans Timmermans fietst met jongste zoon Max door ‘zijn’ Limburgse heuvelland. Zo zien ze elkaar eindelijk eens langere tijd. De anderhalf jaar daarvoor heeft Timmermans voor zijn werk vooral in het vliegtuig gezeten.

Ook premier Mark Rutte heeft eindelijk vakantie. Een avond eerder moest hij nog naar een ingelaste Eurotop. De regeringsleiders spreken eveneens over de sancties tegen Rusland die zijn afgekondigd na de annexatie van de Krim. Rutte pleit ervoor „geen overhaaste beslissingen te nemen met betrekking tot nieuwe sancties”. Nu zit de premier in het zuiden van Duitsland, aan de Bodensee.

In de Oekraïense hoofdstad Kiev heeft de Nederlandse plaatsvervangend ambassadeur, Gerrie Willems, die middag een gesprek met viceminister van Buitenlandse Zaken, Sergiy Kyslytsya. Hij moet hun gesprek twee keer onderbreken. Er is iets met een neergeschoten verkeersvliegtuig boven Oost-Oekraïne.

Het zou het scenario voor een rampenoefening met telkens escalerende ontwikkelingen kunnen zijn – ware het niet dat het allemaal te onwaarschijnlijk is, denkt een bewindspersoon later. Eerste bericht: Een vanaf Schiphol opgestegen passagiersvliegtuig stort ruim 2.350 kilometer verderop neer. Tweede bericht: Het toestel is neergestort boven Oost-Oekraine. Derde: Het vliegtuig is terechtgekomen vlak bij de Russische grens, midden in een oorlogsgebied. Vierde: het vliegtuig is niet neergestort maar neergeschoten.

Alleen is het op 17 juli geen oefening. Het is werkelijkheid.

Nog maar net thuis in Rotterdam krijgt minister Opstelten de eerste alarmerende telefoontjes. Van zijn ministerie, maar ook van een dochter die het nieuws gehoord heeft. Hij belt zijn chauffeur die al op weg terug is naar Den Haag: kom me maar weer halen. Volgens nieuwe regels is de minister van Veiligheid en Justitie voorzitter van de ministeriële commissie crisisbeheersing. Het ziekenhuis wordt afgezegd.

Ongeveer tegelijkertijd krijgt premier Rutte in Duitsland een telefoontje van VVD-partijgenoot en europarlementariër Hans van Baalen. Of Van Baalen Ruttes mobiele telefoonnummer mag doorgeven aan de ambassadeur van Oekraïne in Den Haag? De president van Oekraïne wil Rutte dringend spreken in verband met een vliegtuigcrash.

Rutte laat een vliegtuig regelen om zo snel mogelijk terug te vliegen. En ook Timmermans reist na contact met de premier zo snel mogelijk naar Den Haag.

Zodra blijkt dat het om een vanaf Schiphol vertrokken vliegtuig gaat, vormt de Nederlandse ambassade in Kiev een crisisteam met het personeel dat niet met vakantie is. Direct schakelen met de betrokken partijen in Oekraïne, ook langs informele kanalen, is in de eerste uren van het grootste belang. Wat zich dan wreekt is dat niemand van de Nederlanders op de ambassade in Kiev Russisch of Oekraïens spreekt. Het is één van de verklaringen voor het feit dat de eerste tijd na het neerstorten geen enkele Nederlandse vertegenwoordiger in het rampgebied aanwezig is. Het manco van de taal zal pas in de dagen daarna worden opgelost als minister Timmermans elders in de wereld gestationeerde Nederlandse diplomaten die het Russisch wel machtig zijn, naar Kiev dirigeert.

Op de extra beveiligde zevende etage van het ministerie van Veiligheid en Justitie wordt het crisiscentrum ingericht – ministers en ambtenaren zullen elkaar daar de weken die volgen continu treffen.

De belangrijkste vragen in die eerste uren: om hoeveel mensen gaat het, hoeveel landgenoten, wat gaat er met de lichamen gebeuren, wie gaat ze identificeren? Wat is de oorzaak? En hoe moeten ze over deze ramp met het volk communiceren?

Ze weten niets

Ivo Opstelten is de eerste die aan het begin van de avond een korte verklaring geeft. Hij zegt dat er ‘veel’ Nederlandse slachtoffers zijn, een woord waarover intern lang is gesteggeld, want weten doen ze niets.

Binnenskamers ontsteekt de minister in woede. Malaysia Airlines komt maar niet door met nadere gegevens. Hij slaat op tafel en buldert: „Wanneer komt nu eindelijk die passagierslijst?!’’

Pas om kwart voor elf ’s avonds is er meer duidelijkheid: regionaal directeur Huib Gorter van Malaysia Airlines praat op Schiphol over 298 inzittenden, onder wie in elk geval 154 Nederlanders. Een uur later geeft ook de net aangekomen Rutte een korte verklaring op Schiphol: „Het zwartste scenario is werkelijkheid geworden. We zijn getroffen door een van de grootse vliegrampen in de Nederlandse geschiedenis.”

Niet alleen dat: het toestel is neergeschoten boven een oorlog waar grootmacht Rusland zich in mengt. Opeens is Rutte, en daarmee Nederland, het centrum van de wereldpolitiek: Poetin belt, Merkel belt, Cameron, en Obama. De laatste twee zullen in de dagen daarna Rusland direct of indirect verantwoordelijk houden voor het scheppen van de condities die leidden tot het uit de lucht schieten van de MH17. Een conclusie waar het Nederlandse kabinet een jaar later nog altijd niet aan wil. „Er zijn allerlei speculaties wie achter het neerhalen van MH17 zou hebben gezeten. Ik kan op geen enkele manier daarin meebewegen”, aldus Rutte nog vorige week.

In de ochtend van 18 juli lopen de schattingen van het aantal omgekomen Nederlanders snel op. Van 154 naar 173, dan 189. Dagen later zal uiteindelijk blijken dat er 196 Nederlanders zijn omgekomen. In de schriftelijke briefing worden ministers details niet bespaard: „Onder de passagiers waren 16 kinderen onder de 10 jaar, waaronder baby’s, waarvan 11 Nederlandse kinderen.”

Toegang tot de rampplek voor hulpverleners is dan nog altijd niet mogelijk.

In die eerste emoties ontstaat bij sommige leden van het kabinet, onder wie de premier, een sterke drang om zo snel mogelijk militairen op de rampplek af te sturen. „Onze mensen moeten worden beschermd.” Er worden plannen gemaakt, berekend hoeveel mensen je eigenlijk nodig hebt, waar ze vandaan te halen zijn. Maar er is ook direct een tegenbeweging binnen de top van de coalitie: 1.000 man NAVO-troepen naar het grensgebied van Rusland sturen is in deze brandbare omstandigheden vragen om oorlog. Die dag gaat de militaire optie in feite al van tafel.

In Nederland komt direct een grote logistieke operatie op gang. Twee Herculestransportvliegtuigen vormen een luchtbrug naar Oekraïne, voor diplomaten, politie en marechaussee.

De politie wijst familierechercheurs aan die de nabestaanden – minimaal 2 jaar, is de verwachting – zullen begeleiden bij de identificatie en rouwverwerking. Hun eerste taak is ‘referentiemateriaal’ te verzamelen van de slachtoffers. Het Openbaar Ministerie opent het ‘grootste strafrechtelijk onderzoek ooit’ en zet 200 rechercheurs en 10 officieren van justitie op de zaak. De faciliteiten voor de identificatie en opslag van lichamen worden geregeld.

Zodra de namen van de Nederlandse passagiers bekend worden, moeten mobiele telefoons, bankpassen en creditcards worden geblokkeerd. Er moet een nabestaandenbijeenkomst komen, ambtenaren maken plannen voor de ceremoniële ontvangst van de lichamen.

Bij de Veiligheidsraad

Rutte en Timmermans bellen met buitenlandse politieke leiders om steun te werven voor een door Australië ingediende resolutie bij de Veiligheidsraad. De belangrijkste eisen: onbeperkte en veilige toegang tot de rampplek, steun aan onafhankelijk internationaal onderzoek en berechting van de verantwoordelijken.

Na de stemming houdt de in New York aanwezige Timmermans zijn emotionele toespraak voor de Veiligheidsraad. „Hij benam mij de adem toen hij speculeerde over de laatste momenten die de slachtoffers met elkaar doormaakten”, zegt oud-president van de Verenigde Staten Bill Clinton een week later. Maar juist deze suggestie van Timmermans dat de inzittenden korte tijd na de aanslag nog leefden wordt hem ook kwalijk genomen – het is uiterst pijnlijk voor de nabestaanden.

Volgens internationale regels moet Oekraïne, het land waar de ramp heeft plaatsgevonden, het onderzoek naar de oorzaak uitvoeren. Maar het kabinet wil dat Nederland het doet. Het is maar de vraag of het door burgeroorlog verscheurde land de capaciteiten heeft – sterker nog, het rampgebied is op dat moment in handen van de rebellen. En aartsvijand Rusland, toch al door de Oekraïense regering als indirecte dader aangewezen, zal de uitkomsten nooit accepteren. Officieel heet het dat Nederland op verzoek van Oekraïne het technische onderzoek naar de toedracht van het ongeval zal leiden – de onafhankelijke Onderzoeksraad voor Veiligheid is hiervoor de aangewezen instantie.

Maar wil Nederland het voortouw nemen, dan moeten Nederlanders wel bij de plaats des onheils kunnen komen. En daar beginnen de problemen. De machinerie in het goed georganiseerde Nederland komt soepel op gang. Op de grond in Oost-Oekraïne is het chaos, of zoals het in ambtelijk jargon al snel gaat heten, een „fluïde veiligheidssituatie”. En zo goed als de strategie van kleine stapjes via geordende procedures in Nederland werkt, zo nutteloos blijkt deze in een oorlogsgebied, waar feiten en afspraken relatief zijn en procedures en regels niet bestaan.

De druk om ‘iets’ te doen neemt met het uur toe. Voor leden van het kabinet is het een ‘zenuwslopende’ ervaring. Ze willen het graag goed doen, maar hebben te maken met een bijna onmogelijke situatie, zo voelen ze. Urenlang spreken ze in die dagen scenario’s door met hun ambtenaren.

Het zijn niet alleen de geopolitieke complicaties die handelen moeilijk maken. Het is ook de behoefte aan duidelijkheid en procedures – en het feit dat die niet bestaan. De separatisten beweren dat ze de zwarte dozen hebben en lichamen – maar waar ze zijn en wie erover gaat, blijft onduidelijk. Beloften van de Oekraïense staat en separatisten dat Nederland stoffelijke overschotten mag komen zoeken en dat er veilige corridors zullen zijn, blijken steeds weer weinig waard. Tot herhaalde verbazing van Nederlandse bestuurders.

Terwijl de Nederlandse overheid wikt en weegt, komen journalisten wel op de rampplek aan. Hun aanwezigheid leidt er ook toe dat Nederlanders zich gaan afvragen waarom hun overheid daar eigenlijk níét is? Binnen het kabinet zien ministers de publieke frustratie toenemen – maar verhelpen kunnen ze haar niet.

Tot ergernis van Nederland zijn Maleisische onderzoekers al wel met zo’n 134 man aanwezig. „Ze zullen wel betaald hebben”, wordt in Den Haag geschamperd. De Maleisiërs zijn er niet alleen, ze boeken resultaat. Premier Najib Razak van Maleisië meldt op 21 juli dat rebellen de twee zwarte dozen van het toestel aan het onderzoeksteam van Maleisië zullen overhandigen. Ook verklaart de Maleisiër dat hij met Alexander Borodai, de zelfbenoemde president van de ‘republiek Donetsk’ is overeengekomen dat de stoffelijke resten van de 282 lichamen per trein van Torez naar Charkov vervoerd zullen worden om daar overgedragen te worden aan vertegenwoordigers van Nederland. Ten slotte is afgesproken dat internationale onderzoekers toegang tot de rampplek krijgen.

Direct praten met de rebellen is juist wat het kabinet principieel niet wil. Dat betekent erkenning van hun ‘staat’. Althans, zo kan het volgens het legalistisch denkende kabinet worden uitgelegd. In de woorden van premier Rutte: „Zo werkt het in de wereld met elkaar. Als hier in Nederland een rebellenbeweging een deel van Gelderland zou hebben bezet dan zou ik er ook hele grote moeite mee hebben als mijn Duitse en Franse collega’s daarmee zouden praten.” Dus gaat het via de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

Maanden later, op 29 oktober toont de Oekraïense minister van Buitenlandse Zaken Pavlo Klimkin zich in een interview met Nieuwsuur verbaasd over de Nederlandse afzijdigheid in de eerste dagen na de ramp. „We konden de Volksrepubliek Donetsk niet erkennen, maar toegang tot de rampplek zeker stellen was geen politieke zaak: het was een morele verplichting”, aldus Klimkin. In dezelfde uitzending toont een legerwoordvoerder van Oekraïne zich verbaasd over de formele opstelling van Nederland die er in de eerste dagen na de ramp toe leidt dat kostbare tijd verloren gaat.

Sociale media

Ambtenaren op het crisiscentrum houden die eerste dagen nauwlettend het nieuws en de sociale media in de gaten. Alles wordt bekeken, van de ‘Stelling van de Dag’ in de Telegraaf, tot het blog van Jort Kelder en GeenStijl. Twitter wordt met speciale software geanalyseerd. De analyses zijn niet goed voor het kabinet. De voorzichtige woordkeuze en procedurele houding, belichaamd in de optredens van premier Rutte, roepen „veel negatieve reacties” op.

Die toon valt ook te beluisteren op de besloten bijeenkomst voor nabestaanden die het kabinet op 21 juli in Nieuwegein organiseert. Op de crashsite is het nog altijd een chaos. De beelden verschijnen constant op televisie. „Stuur commando’s”, roept een van de aanwezigen. Er volgt applaus.

Vanaf dat moment, zo merken betrokkenen, zal er voor de premier iets veranderen. Nu hij de emoties van nabestaanden van dichtbij heeft ervaren, vereenzelvigt hij zich bijna met hun lot. Elk risico dat nabestaanden hun genoegdoening wordt ontnomen, wil Rutte vermijden.

Ook koning Willem-Alexander en koningin Máxima zijn van hun vakantieadres in Griekenland – waar ze net zaterdag waren aangekomen – op en neer gevlogen om met de families te praten. Twee dagen later vliegen ze weer op en neer, om aanwezig te zijn als de eerste doden terugkeren uit Oekraïne. De terugkeerceremonie is, naast de speech van Timmermans, een van de weinige momenten dat waardering voor het kabinet de kritiek overstemt.

Drie dagen na de oproep tot militaire actie in Nieuwegein, stuurt het kabinet een ‘notificatiebrief’ naar de Tweede Kamer – een vooraankondiging van een mogelijk besluit om troepen uit te zenden. De brief is opmerkelijk, omdat de militaire optie de vrijdag daarvoor binnen de coalitietop al onbegaanbaar is verklaard.

Verder dan de notificatiebrief komt het nooit. In een ingelaste zitting van het kabinet op zondagmiddag 27 juli valt de formele conclusie dat het sturen van militairen zinloos is. Waarom trekt het kabinet pas na meer dan een week openlijk de conclusie die intern al langer vaststond? Het is in zekere zin een antwoord aan de nabestaanden dat werkelijk alles is onderzocht.

En dan nu het lange wachten

Pas op 31 juli bereiken de eerste Nederlandse onderzoekers de plaats van de crash. Zes dagen later vertrekken ze weer, het werk onaf. De situatie is te gevaarlijk.

En dan begint het lange wachten. Een klein groepje van de missie blijft in Oekraïne achter om direct aan het werk te gaan als de situatie verbetert. Maanden later schrijft het kabinet aan een advocaat van nabestaanden: „Dat de repatriëringsmissie nu niet terug kan keren, betekent niet dat Nederland niets doet.” Om daarna op te sommen met wie de overheid allemaal overlegt om veilige toegang tot het gebied te regelen. Maar tot concrete resultaten leiden die activiteiten niet.

Als het kabinet in de maanden die volgen iets meldt over de gang van zaken rond de MH17 is het vooral om onprettige nieuwsontwikkelingen toe te lichten of te weerleggen – een noodgedwongen defensieve houding die steeds meer voedsel geeft aan de argwaan van politici en burgers.

Een jaar na de ramp is het wachten nog altijd op het eindrapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Op 9 september kwam de raad met ‘eerste bevindingen’. De beschrijving van de oorzaak is zo bloedeloos dat hij internationaal opvalt: „De schade van de voorste sectie van het vliegtuig lijkt erop te wijzen dat het vliegtuig is doorboord door een groot aantal voorwerpen met hoge energie van buiten het vliegtuig.”

Het eindrapport van de Onderzoeksraad ligt ter inzage bij belanghebbende landen – Rusland heeft al van de gelegenheid gebruikt gemaakt om het te bekritiseren. Maar ook als het uitkomt, naar verwachting in oktober, zal het geen verdachten aanwijzen. Dat is voorbehouden aan het door het Openbaar Ministerie geleide internationale strafrechtelijke onderzoek. Of hun bevindingen ooit voor de rechter komen, is op dit moment niet zeker.

De landen die in het strafrechtelijk onderzoek samenwerken, willen een VN-tribunaal, zo bleek vorige week. Maleisië is bezig met een resolutie hierover voor de Veiligheidsraad. Maar Rusland, permanent lid van de Raad, beschikt over een vetorecht en noemde zo’n tribunaal al ‘onacceptabel’.

Op 18 juli, een dag na de crash, zegt Rutte dat hij niet zal rusten voordat de daders zijn opgespoord en hun gerechte straf krijgen. Die rust kan nog wel even op zich laten wachten.

Correcties en aanvullingen

In Kostbare tijd ging verloren (Special NRC Weekend, p. 8) over de afwikkeling van de MH17-ramp stond dat niemand op de ambassade Russisch of Oekraïens sprak. Dit is te absoluut gesteld. Volgens Buitenlandse Zaken zijn er op de ambassade zowel diplomaten als lokale medewerkers die vloeiend Oekraïens of Russisch spreken. De strekking van de op basis van goed geïnformeerde bronnen neergeschreven constatering was dat de eerste chaotische uren direct na de ramp op de ambassade geen leidinggevenden aanwezig waren met voldoende actieve kennis van het Russisch of Oekraïens om direct daadkrachtig en improviserend te kunnen handelen. Hierdoor zijn in het begin kostbare uren verloren gegaan.