Hij koerst als eerste Afrikaan in de bolletjestrui

De Eritrese tourdebutant Daniel Teklehaimanot wist gisteren zijn bolletjestrui te behouden. Hij hoort bij een jonge generatie Afrikaanse toptalenten die nu eindelijk ook meedoen.

Daniel Teklehaimanot (26) in de bolletjestrui. Foto Laurent Cipriani/AP

Hij had voor de Tour de France eigenlijk maar één droom, glimlacht Daniel Teklehaimanot donderdag net na een ontbijt met onwaarschijnlijk grote porties cornflakes. „Als ik een dag in de bolletjestrui mag rondrijden”, zegt hij op de parkeerplaats van het ploeghotel bij Amiens, „dan is mijn Tour geslaagd.”

Als een van de eerste renners verschijnt hij een paar uur later in het Normandische Abbeville aan de start voor de op het oog saaie rit naar Le Havre. De 26-jarige Tour-debutant is in Noord-Frankrijk twee keer hard onderuitgegaan, maar al na vijf kilometer gaat hij er met twee man vandoor. Tijdens een lange ontsnapping verzamelt Teklehaimanot, die in juni het bergklassement van de Dauphiné won, op klimmetjes van de derde categorie genoeg punten om als eerste Afrikaan in de bolletjestrui te mogen koersen. Na weer een ontsnapping heeft de Eritreeër zijn felbegeerde trui gisteren weten te behouden.

Geesteskind van Ryder

Voor MTN-Qhubeka, dat na de Vuelta vorig jaar als eerste Afrikaanse team een wildcard voor de Tour bemachtigde, zijn het historische dagen. De jonge ploeg is het geesteskind van de Zuid-Afrikaanse ex-renner Douglas Ryder en heeft grote ambities. „We hebben acht jaar gewerkt om onze droom te verwezenlijken”, zegt hij bij de teambus die van Cannondale werd overgenomen. Een Zuid-Afrikaanse vlag wappert als gordijntje in de deuropening. „We begonnen met een Zuid-Afrikaanse formatie die snel de beste van het land was, daarna hadden we een Afrikaans team dat het beste van Afrika werd. Toen wilden we verder.”

Dankzij sponsor MTN – de grootste telecomprovider van Afrika – kon de ploeg in 2011 voor het eerst in Europa koersen. „Dat ging niet geweldig”, erkent Ryder. „We hebben renners die uit landen komen waar nauwelijks verharde wegen zijn. Ze hadden power, maar weinig ervaring met bijvoorbeeld het rijden in waaiers.” Nu wonen en trainen alle Afrikaanse renners in het Italiaanse Lucca en kent, mede dankzij het aantrekken van ervaren krachten als de Noorse sprinter Edvald Boasson Hagen, het Europese fietsen ook voor hen weinig geheimen meer.

„Maar de Tour de France, dat is anders dan alles wat ik tot nu toe heb meegemaakt”, zegt de 21-jarige klimmer Merhawi Kudus, het andere Eritrese toptalent. „Tweehonderd renners willen allemaal voorin, dat is erg hectisch.” De Nederlander Michel Cornelisse, een van de ploegleiders, had „om eerlijk te zijn” in de eerste week meer problemen verwacht. „Het gaat boven verwachting goed.” Van het team gaat volgens hem een „positieve dynamiek” uit. „Zo’n Hagen komt natuurlijk niet van Sky naar ons om het geld”, lacht hij. „In mijn tijd werd nogal eens smalend gedaan over snel lossende Afrikaanse renners, maar dit is echt een nieuwe generatie.”

Fietsen moet cool worden

Het was Gert-Jan Theunisse, de Nederlandse winnaar van de bolletjestrui in 1989, die ooit na een trainingsrondje in Zuid-Afrika ongelovig vaststelde te zijn „ingehaald door een neger op een bakfiets”. Maar fietsen als professionele sport is in veel Afrikaanse landen niet erg ontwikkeld. Uitzonderingen zijn Eritrea, waar wielrennen de nationale sport is, Rwanda en Zuid-Afrika zelf, waar vooral blanken zich een dure koersfiets kunnen permitteren. „Ik weet zeker dat er meer potentie is”, zegt Ryder. „Fietsen moet net als voetbal en hardlopen cool worden.”

Om dat te bereiken werkt de ploeg samen met liefdadigheidsorganisatie Qhubeka, die in Zuid-Afrika stevige gele fietsen onder scholieren verspreid. „Zuid-Afrika is een land van wandelaars en auto’s”, zegt oprichter Anthony Fitzhenry, een IT-ondernemer met roots in Zimbabwe. „De fiets is voor veel mensen een transportmiddel voor de armen. Dat moet veranderen.” Qhubeka – Zulu en Xhosa voor ‘vooruitgang’, uit te spreken met typerende klik – krijgt 5 procent van de ploeginkomsten. Hoewel de sponsoring van MTN dit jaar afloopt, is de toekomst van de ploeg dankzij een andere Zuid-Afrikaanse multinational gegarandeerd.

In iedere plaats waar de MTN-bus halt houdt, duiken fans uit heel Afrika op. „Ik woon tien jaar in Frankrijk en de Tour heb ik nooit gevolgd”, zegt de Soedanees Okot in Amiens. „Maar dit maakt me trots.” De Zuid-Afrikaanse ambassade in Frankrijk verzorgde woensdag in Noord-Frankrijk voor de ploeg een braai en hoewel geen van de Rwandese renners van MTN in de Tour meekoerst, was een Rwandese minister speciaal naar Utrecht gekomen om de historische start bij te wonen.

„Met Afrikaanse successen kunnen we heel Afrika voor wielrennen interesseren”, jubelt Tour-verslaggever Owen Hannie, die voor de Afrikabrede zender Supersport embedded met MTN meereist. „Let op, want dit is nog maar het begin.”