Boven Oekraïne vond luchtoorlog plaats

Net na de MH17-ramp kon Den Haag niet goed inspelen op de gebeurtenissen, omdat op de ambassade in Kiev niemand Russisch of Oekraïens sprak.

In het luchtruim boven oost-Oekraïne vond op 16 en 17 juli 2014, de dag dat de MH17 werd neergehaald, een complete luchtoorlog plaats. Oekraïense SU-25 gevechtsvliegtuigen bombardeerden doelen op de grond, zo melden getuigen, en Russische separatisten probeerden de vliegtuigen uit de lucht te halen, eerst met van de schouder afgevuurde luchtdoelraketten, op 17 juli ook met de Boek M1 die veel hoger reikt.

Dit blijkt uit een reconstructie van de ramp met vlucht MH17, waarbij vorig jaar alle 298 inzittenden – onder wie 196 Nederlanders – om het leven kwamen. Even ten zuiden van de rampplek hadden de Russische rebellen een dag eerder de aanval geopend op het plaatsje Marynivka. Doel was het Oekraïense leger klem te zetten tussen het gebied van de separatisten en de Russische grens.

Om de omsingeling te voorkomen, voerde de Oekraïense luchtmacht voortdurend luchtaanvallen uit. Vlak bij de rampplek haalden separatisten op 16 juli twee Oekraïense SU-25's neer. De volgende ochtend meldde de Oekraïense Veiligheidsraad dat gevechtsvliegtuigen 12 missies hadden gevlogen en dat aanvalshelikopters 17 keer in actie waren gekomen.

Kort nadat het passagierstoestel was neergestort, is in de top van het kabinet, onder andere door premier Rutte, overwogen Nederlandse militairen naar Oekraïne te sturen toen bleek dat de hulpverlening ter plekke nauwelijks op gang kwam. Er werden al plannen gemaakt, er is berekend hoeveel mensen ervoor nodig zouden zijn en waar ze vandaan zouden moeten komen.

Maar er was ook direct een tegenbeweging binnen de top van de coalitie: duizend man NAVO-troepen naar het grensgebied van Rusland sturen zou in deze brandbare omstandigheden neerkomen op een oorlogsverklaring. De militaire optie ging in feite meteen al van tafel.

Desondanks stuurt het kabinet op 24 juli een zogenoemde ‘notificatiebrief’ naar de Tweede Kamer – een vooraankondiging van een mogelijk besluit om troepen uit te zenden. Dat was volgens betrokkenen vooral om de buitenwereld te laten zien dat geen enkele mogelijkheid om de repatriëring van de slachtoffers op gang te brengen, onbesproken is gebleven. De optie wordt een paar dagen later in een extra vergadering van de ministerraad formeel verworpen.

Nederland had vanwege gebrek aan rechtstreeks contact de eerste dagen na de aanslag nauwelijks zicht op wat zich afspeelde op en rond de rampplek. Op de ambassade in Kiev sprak geen van de Nederlandse diplomaten Russisch of Oekraïens. Zodoende kon in de hectische eerste uren onvoldoende geanticipeerd worden op de gebeurtenissen aan de oostgrens met Rusland. Mede om die reden heeft toenmalig minister Timmermans (Buitenlandse Zaken) later diplomaten uit onder meer Afrika, die wel Russisch spraken, tijdelijk naar de ambassade in Kiev gedirigeerd.