Column

Alleen

Georgina Verbaan

Ik at alleen in de Bijenkorf. Ik was daar toevallig. Na de barre tocht vol hindernissen met rugzakken om, bereikte ik na een paar stevige parfumwolken de bovenste etage, greep een bord salade en een minifles wijn en zeeg neer. Het is het perfecte excuus voor de eenzame en/of sociaal gemankeerde mens zonder ongelukkig huwelijk, om toch in de nabijheid van anderen een maaltijd te kunnen nuttigen zonder met ze te hoeven praten. ‘Ik was hier toevallig, met mijn drukke bestaan.’ Om dit excuus kracht bij te zetten had ik ongeduldig rondgekeken in de rij voor de kassa. Zoiets suggereert dat je nog ergens heen moet. Om met slingers behangen te worden. Naast mij zat een dikke, witte man met een groenige gloed. Bordje friet. Hij zweette. Hij was duidelijk alleen. Daarachter een donkere vrouw. Ze gaf het scherm van haar telefoon commando’s met een verveelde vinger. Voor haar een leeg glas waar – aan het opgedroogde vruchtvlees te zien – uren geleden een verse jus in moet hebben gezeten. Achter mij zat een groep Tsjetsjenen (vermoed ik, ik ben geen kenner) te doen wat ik de meeste toeristen zie doen; onderuitgezakt films kijken op iPads. En zo was iedereen alleen. Tussen de tafeltjes door laveerde een restaurant-medewerker. Een klein, krom mannetje dat geen oog voor etende gasten had, maar monomaan gefixeerd op kruimels en lege dienbladen was. Ik wipte wat champignons uit mijn salade, toen er een vrouw aangebeend kwam. Ze had het kapsel van een vogel. Kort rood met een kuif op de kruin. Ja. Eenzaam, concludeerde ik. Omdat ze zo wild aan het gesticuleren was tegen zichzelf. Dat ze servetten vergeten was werd uitgebeeld met een stomp tegen haar voorhoofd, haar mondhoeken beeldden ‘silly me’ uit en haar ogen deden olijk. Toch leek ze me verdrietig. Bij het tafeltje met bestek en rietjes zocht ze omstandig naar servetten. Men zou kunnen denken dat ze gek was. Maar het was een act. Een act die zegt: „Gaat goed hoor. Ik ben een beetje een malle meid, dat wel. Maar verder is alles helemaal toppie!”

Ik trap daar niet in. Ik doe het niet, wild gebaren. Maar dat is beroepsdeformatie. Ik pak zoiets subtieler aan. Plots voelde ik me iets beter. Kon de wijn zijn, of de gedachte aan een prachtig nieuw excuus. Ik zat alles op te schrijven, ik was helemaal niet alleen aan het eten, nee. Ik was hier toevallig aan het werk!