‘Quinty komt niet naar school, ze slaapt uit’

Schoolbankjes zijn elke generatie anders, maar het Nationaal Onderwijsmuseum wil meer laten zien. Zaterdag heropent het museum in Dordrecht.

Veel zevens en een enkele vijf. De directeur van het Nationaal Onderwijsmuseum was geen bolleboos, maar een gemiddelde leerling. Na de lagere school ging hij naar de MAVO. Zijn rapporten uit beide schoolperiodes hangen in een vitrinekast in het nieuwe museumgebouw.

Het Onderwijsmuseum, dat in 2012 uit Rotterdam vertrok, werd gisteren door minister Bussemaker (Onderwijs) in Dordrecht heropend. Daarbij vond ze een oude agenda van haarzelf terug in de collectie – ze herkende haar eigen handschrift. Ze subsidieert het museum met 550.000 euro per jaar. De gemeente Dordrecht draagt 300.000 euro bij. Zaterdag opent het voor publiek.

Alle museummedewerkers moesten voor de heropening een voorwerp inleveren uit hun eigen schooltijd. Saskia Noordoven, die de hoofdtentoonstelling inrichtte, wijst op een gebreide muis. „Die heb ik gemaakt, tijdens handwerkles”, zegt ze. „Door iets van onszelf in te leveren, zijn wij ons er meer van bewust geworden wat wij met het museum willen laten zien. Niet alleen lesmethodes en onderwijsvernieuwing, maar ook hoe leerlingen opgroeien, hun identiteit ontwikkelen en vriendschappen sluiten. School is altijd persoonlijk. Iedereen heeft er herinneringen aan, en die willen wij hier oproepen.”

In het oude gebouw in Rotterdam waren acht klaslokaaltjes uit verschillende periodes ingericht, waar bezoekers in de schoolbankjes konden weg mijmeren over vroeger tijden. „Bijna elk schoolmuseum ziet er zo uit”, zegt museumdirecteur Tijs van Ruiten. „Sterker nog: wij hebben zelf veel van die klaslokaaltjes ingericht voor streekmusea.” Met zijn eigen, vernieuwde Onderwijsmuseum heeft hij hogere ambities. „Natuurlijk kunnen bezoekers ook bij ons nog in een schoolbankje zitten om een selfie te maken”, zegt hij. „Maar wij willen het onderwijs in zijn volle breedte laten zien. Dat betekent bijvoorbeeld dat wij ook aandacht willen besteden aan het beroepsonderwijs.”

Van de 350.000 voorwerpen in de collectie heeft het Onderwijsmuseum er zo’n 4.000 tentoongesteld. De rest ligt opgeslagen in depots elders. De collectie is breed: van oude schoolplaten, leesplankjes en kroontjespennen tot gymtoestellen, klassenfoto’s en schoolagenda’s. Alles is geordend in acht thema’s, zoals ‘lezen, schrijven, rekenen’ en ‘vakken en methoden’.

Bij het thema ‘wetgeving en toezicht’ ligt een plakboek van een onderwijzer uit Amsterdam, waarin hij alle excuusbriefjes bewaarde die hij van ouders kreeg. Een moeder schrijft in 1927: ‘Geachte Onderwijzer! Hedenmiddag kon ik tot mijn leedwezen mijn kinderen al niet voldoende voedsel toedienen, doch heb hun naar school laten gaan. Indien ik hun morgen in het geheel niets kan voorzetten moet ik ze hoezeer ik dat betreur thuis van school houden. Hedenavond gaan zij ook zonder iets te nuttigen naar bed.’

Om het contrast te laten zien met nu legde de tentoonstellingsmaker er een hedendaags briefje bij: „Beste juf, Ik hou Quinty vanmorgen thuis. Zij slaapt nog uit. Gisteravond is het laat geworden. Opa was jarig en we zijn wezen wokken.”

In het nieuwe museumgebouw is meer ruimte om uit te pakken. Museumdirecteur Van Ruiten heeft het markante gebouw, ontworpen door Sybold van Ravesteyn (1889-1983), zelf uitgezocht, „want architectuur is mijn hobby”. Maar dat Dordrecht in deze tijd van bezuinigingen 5,5 miljoen euro in de renovatie zou steken, was meer dan hij durfde te hopen.

Het Onderwijsmuseum moest in 2012 uit Rotterdam weg, omdat de gemeente de subsidie introk en ook nog eens de huur opzegde. In het gebouw moest het nieuwe University College van de Erasmus Universiteit worden gehuisvest. „We kregen wel alternatieve locaties aangeboden, maar die waren niet geschikt”, zegt Van Ruiten. Daarom ging hij buiten de gemeentegrenzen op zoek.

Almere en Zutphen waren opties, maar hij koos voor Dordrecht. „Deze gemeente profileert zich sterk met cultureel erfgoed”, zegt Van Ruiten. „Denk aan het Hof van Nederland, een interactief historisch museum dat onlangs is geopend.” De gemeente Dordrecht renoveerde recent ook schouwburg Kunstmin – eveneens door Van Ravesteyn ontworpen – en eerder al het Dordrechts Museum. Daarnaast werd een voormalige energiecentrale omgebouwd tot podium (het Energiehuis).

Het gebouw De Holland, dat Van Ravesteyn eind jaren dertig ontwierp voor een brandverzekeringsmaatschappij, ligt op loopafstand van het station. Net als in diergaarde Blijdorp, waarmee hij bekend werd, combineerde hij het strakke, ruime, lichte van het functionalisme, de Stijl en het Nieuwe Bouwen met de zwierigheid, krullen en ronde vormen van de neo-barok.

Van het chique interieur met marmeren vensterbanken en houten lambriseringen was niets meer over nadat het gebouw in de jaren tachtig en negentig was uitgewoond door een supermarkt en een woonwinkel. Bierman Henket architecten, het bureau dat ook Museum de Fundatie, de Beurs van Berlage en het Fries Museum renoveerde, bracht de lichte sfeer van vroeger terug, met aanpassingen die het geschikt maken als museum. „Het is een heerlijk, licht gebouw geworden”, zegt wethouder Sleeking (Cultuur).

Voor de gemeente snijdt het mes aan twee kanten. „Dat je een rijksmuseum kunt binnenhalen, is een opsteker”, zegt de wethouder. „Dat maakt de stad aantrekkelijker voor toeristen. Bij het Dordrechts Museum hebben we al gezien dat investeren in cultuur loont. Dat trekt sinds de verbouwing mooie bezoekersaantallen.”

Het Onderwijsmuseum gaat daarnaast een bijdrage leveren aan het onderwijs in de stad. Met het Da Vinci College zijn afspraken gemaakt over samenwerking. De mbo-studenten kunnen stage lopen in het museum en krijgen ook losse opdrachten waaraan ze op school kunnen werken. Studenten Art & Design ontwierpen al samen met de banketbakkersopleiding een koekje dat wordt geserveerd in het museumcafé. Ook heeft de school opdracht gekregen de verdwenen, acht meter hoge schoorsteen op het museumdak te reconstrueren. Het benodigde geld is binnengehaald met crowdfunding.