‘Onze geschiedenis heeft groot onderhoud nodig’

Nederland zo schoon? Is niet waar! Nederlandse cultuur? Een fictie! De Stijl? Een mislukt initiatief! Tijd om tegels te lichten, vindt de dwarse historicus. ‘Nieuwe opvattingen zijn soms wat ongemakkelijk.’

Auke van der Woud: „Ik zoek het debat niet op. Als ideeën er vijftig jaar over doen om oude conventies te laten verdwijnen, dan heb ik daar geen moeite mee.” Foto Sake Elzinga

‘Dwars? Ja, toch wel, ja’, zegt de historicus Auke van der Woud halverwege het gesprek in een café in de binnenstad van Groningen. „Maar ik ben vooral nieuwsgierig. Tegels lichten is mijn methode, naar de titel van een boek van Henk Hofland. Kijken wat er onder de tegels wegschiet.”

Dat deed Van der Woud (1947) al in 1987 met zijn dissertatie Het lege land. Hierin beschreef hij hoe gebrekkig en armoedig de ruimtelijke inrichting van Nederland omstreeks 1800 was. „Ik wilde weten hoe Nederland er in het begin van de 19de eeuw uitzag, voordat alle grote veranderingen plaatsvonden. De steden, de rivieren, de ontoereikende infrastructuur, het cultuurlandschap en het enorme oppervlak woeste grond. Het contrast met het huidige Nederland kan niet groter zijn.”

In elk van de boeken van Van der Woud, van 1990 tot 2012 hoogleraar architectuurgeschiedenis, sneuvelen clichés over Nederland en de 19de eeuw. Waarheid en Karakter uit 1997 is een een herschrijving van de 19de-eeuwse architectuurgeschiedenis waarin de koningen van de Nederlandse bouwkunst omstreeks 1900, P.J.H. Cuypers en H.P. Berlage, van hun troon werden gestoten. In Een nieuwe wereld uit 2007 sneuvelde het cliché van het gezapige 19de-eeuwse Nederland. „In dat boek laat ik zien hoe het onderontwikkelde en stagnerende Nederland door de komst van de nieuwe communicatie- en verkeersnetwerken, zoals men toen zei, ‘wakker werd’.”

Voor uw boeken maakt u opvallend veel gebruik van kranten en tijdschriften.

„Ik ben in structurele ontwikkelingen geïnteresseerd, daarom zijn de publieke media altijd erg belangrijk voor me. Kranten en tijdschriften zijn bijzonder informatieve bronnen om te bepalen hoe de openbare mening wordt gevormd en hoe nieuwe werkelijkheden worden geschapen. Dat geldt net zo goed voor de tegenwoordige als voor de verleden tijd.

„Het was tot voor kort erg omslachtig en tijdrovend om tijdschriften en kranten als bron te gebruiken. Maar tegenwoordig is veel digitaal beschikbaar en doorzoekbaar. Ik verwacht daar veel van, vooral voor het onderzoek naar de geschiedenis van de moderne massacultuur. Neem bijvoorbeeld zoiets als reclame. De affiches van Jan Toorop en het grafische werk van Piet Zwart zijn museumstukken, maar van de onartistieke, alledaagse reclame van vroeger weten we nog heel weinig.”

‘Koninkrijk vol sloppen’ uit 2010 maakte de schaduwzijde van het nieuwe Nederland zichtbaar. In de overbevolkte grote steden leefden omstreeks 1900 miljoenen mensen in krotten. De milieuvervuiling was enorm. Ook het propere Nederland bleek een mythe.

„Die mythe is grotendeels gebaseerd op reisbeschrijvingen van buitenlanders die de Nederlandse properheid roemen. Het gaat dan vaak over dezelfde onderwerpen, zoals ramen wassen en zuivelbereiding. Maar die lofzangen op het schone Holland moet je niet altijd letterlijk nemen en zeker niet veralgemeniseren. Complimenten werden ook uit hoffelijkheid gegeven, of tongue-in-cheek, ironisch. Er is ook een 18de-eeuwse Engelse spotprent van het Nederlandse straatbeeld: mensen die poepen en piesen in het openbaar.”

Een paar miljoen krotbewoners en smerige, stinkende steden vallen niet te rijmen met het algemeen aanvaarde idee dat Nederland, zoals Johan Huizinga eens schreef, ‘van hoog tot laag’ een burgerlijke cultuur had. In uw nieuwe boek ‘De nieuwe mens’ komt u met nieuwe argumenten om dat idee te verlaten.

De nieuwe mens gaat over het ontstaan van onze materialistische massacultuur in de late 19de eeuw. De burgerlijke cultuur waar Huizinga het over had, hoorde bij hoogstens twee procent van de Nederlandse bevolking. Ik kijk ook naar het platteland, noem dat ‘het land van de duizend culturen’. Waarden- en normenpatronen hadden al eeuwenlang vooral een regionaal en lokaal karakter. Dat is trouwens nu nog zo. ‘De’ Nederlandse cultuur is een fictie. Dat inzicht stelt ons als historici voor een nieuwe opgave. We moeten de Nederlandse cultuurgeschiedenis gevarieerder, complexer, interessanter en betekenisvoller maken.”

In ‘De nieuwe mens’, dat onlangs werd genomineerd voor de Libris Geschiedenis Prijs 2015, laat u zien dat de huidige beeldcultuur en de massamens niet pas na de Tweede Wereldoorlog met de komst van de televisie ontstond maar al aan het eind van de 19de eeuw. De nieuwe mens kreeg een nieuwe, panoptische blik, schrijft u. Wat is dat precies?

„De panoptische blik is zoals we tegenwoordig waarnemen. We kunnen totaal opgaan in wat we zien, maar elke volgende indringende ervaring wist de vorige uit. Wat we zien en daarbij ‘voelen’ is vaak belangrijker dan wat we weten. De grens tussen echt en onecht is vaag. En de indrukken zijn weliswaar oppervlakkig en vluchtig, maar ze kunnen heel intens zijn. De nieuwe massacultuur van de late 19de eeuw bracht ook de komst van de massapsychologie en van de reclame. De massamens ‘deelt’ zijn intense maar vluchtige gevoelens en meningen. Paul van Ostaijen heeft dat mooi verwoord in zijn gedichtencyclus Music-Hall uit 1916. Die gaat over de psychologie van de bioscoop. Tijdens de voorstelling is het publiek ‘één ziel’, het leeft als één geheel mee met wat het op het doek ziet. Maar direct nadat het licht is aangegaan, staan de bioscoopgangers weer als vreemden tegen over elkaar. ‘Toen de ziel even buiten de zaal was/Is zij stuk gevallen als zeer broos glas.’”

Vooral de plattelanders die naar de grote steden verhuisden, waren vatbaar voor de nieuwe cultuur, schrijft u. In ‘Koninkrijk vol sloppen’ schreef u dat we nog te weinig inzicht hebben in de volksverhuizing die omstreeks 1870 op gang kwam, toen in heel Europa miljoenen plattelanders naar de stad trokken. Is het raadsel inmiddels opgelost?

„De migratiestroom naar de steden is sindsdien niet meer gestopt en gaat nog altijd door. Nu op mondiale schaal. Traditioneel wordt de mechanisering van de landbouw aangewezen als de oorzaak ervan, en de werkgelegenheid in de stad. Ik denk dat de sociaal-culturele factoren minstens zo zwaar wogen en wegen. De stad heeft veel te bieden: medische voorzieningen, amusement, een groot aanbod van consumptieartikelen, grote variatie in sociale contacten, innovaties op allerlei gebied. Vergeet de massapsychologie ook niet. In de stad kun je onderduiken in de massa en daardoor vrij worden, individualiseren. Het massale individualisme is een van de vreemde paradoxen van de nieuwe massacultuur.”

Heel opvallend is dat u gangbare begrippen als modern, modernisering en moderniteit niet gebruikt. Waarom?

„Ze zijn te beperkend, omdat ze al gauw op een conventionele manier worden ingevuld. ‘Modern’ roept bijvoorbeeld associaties op met het Bauhaus en Rietveld. Ik gebruik de term ‘nieuwe cultuur’ omdat de nieuwe stedelijke massacultuur elke mode omhelsde. Historische geveltjes en dameshoeden met opgezette tropische vogels maken er evenzeer deel van uit als de natuurboekjes van Jac. P. Thijsse en kamerinterieurs vol balpootmeubelen. Rationaliteit ging hand in hand met irrationaliteit. De nieuwe massacultuur streefde niet naar collectieve waarden en normen. De nieuwe cultuur wilde maar één ding, vrijheid, en ging alle kanten op. Die cultuur had geen collectieve ‘stijl’. De Stijl van Rietveld en Mondriaan is een van meet af aan mislukt initiatief om de culturele desintegratie tegen te houden. Grappig genoeg hield de De-Stijlvoorman Theo van Doesburg ook van desintegratie, hij was ook een dadaïst en dus een nihilist. Deze innerlijke tegenstrijdigheid bewijst dat het begrip ‘modern’ zelfs in de beperkte context van De Stijl onbruikbaar is.”

De nieuwe cultuur doet denken aan het postmoderne ‘anything goes’. Was de nieuwe cultuur van begin af aan dus in wezen postmodern?

„Zo zou je het kunnen zeggen, ja. De socioloog Georg Simmel, die ik vaak citeer, schreef omstreeks 1905 al dat ‘de’ werkelijkheid vervangen was door ‘een’ werkelijkheid. Waarheid was toen al vaak geen objectieve zekerheid meer, maar een individuele overtuiging. Ik heb zelf veel geleerd van de pioniers van het postmodernisme in de architectuur, Robert Venturi en Denise Scott-Brown. Hun Learning from Las Vegas en Complexity and Contradiction in Architecture hebben me van veel professionele conventies en ingeslopen academische vooroordelen bevrijd. Complexiteit, tegenstellingen en paradoxen zijn ook de kenmerken van de nieuwe cultuur van 1900.’’

Uw ontmythologiseringen hebben tot verbazend weinig debat in academische kringen geleid. Hoe komt dat?

„Ik weet het niet. Ik ben er door de jaren heen wel achter gekomen dat nieuwe opvattingen soms ongemakkelijk zijn. Ze vragen opeens aandacht, dat houdt mensen maar van hun werk en iedereen heeft het druk. Historisch onderzoek is ook geen raketwetenschap. Meningen, interpretaties en feiten lopen nogal eens door elkaar. Ik heb het geluk gehad dat ik vroeg ontdekte dat ik buiten de academische kring een publiek had. Toen ik twee hoofdstukken van Het lege land af had, heeft een vriend van me ze in de brievenbus van uitgeverij Meulenhoff gestopt. Die wilde het boek meteen uitgeven. Niet de academici, maar de uitgevers hebben me vrijheid gegeven. Ik zoek het debat niet op, het boeit me niet. Ik presenteer ideeën, als het kan inzichten. Als sommige daarvan er dertig of vijftig jaar over moeten doen om oude conventies te laten verdwijnen, dan heb ik daar geen moeite mee.”

In uw nieuwe boek laat u zien dat Berlage zich sterk tegen de nieuwe cultuur verzette. U hamert er al een jaar of twintig op dat hij eigenlijk een voorvechter van de traditionele waarden en normen was. Maar nog steeds is hij voor de meeste architectuurhistorici de vader van de moderne Nederlandse architectuur.

„In Sterrenstof (2008) heb ik gereconstrueerd hoe de Berlage-mythe rondom 1895 ontstond en hoe die tot op de dag van vandaag in leven wordt gehouden. Hoe men zich aan dat geloof vastklampt, zag ik onlangs in het Gemeentemuseum Den Haag. Daar staat een stoel van Rietveld naast een stoel van Berlage die er wel wat op lijkt. Op het bordje staat dat de invloed van Berlage ‘in alle vezels’ van De Stijl aanwezig is. Grappig genoeg werd de stoel van Rietveld eerder gemaakt dan die van Berlage.

„Ik zie het probleem wel, want wat moet je doen als, zoals in het geval Berlage, de algemeen erkende stamboom van de architectuur niet blijkt te kloppen? Niet iedereen vindt het prettig om opnieuw te beginnen. Toch zou onze geschiedenis ervan opknappen als we af en toe wat groot onderhoud zouden plegen. Het is daarbij de opgave om een nieuwe samenhang te assembleren. Een samenhang die de huidige lezer niet alleen nieuwe kennis maar vooral een nieuw, dieper inzicht geeft. Kennis is niet meer dan grondstof of halffabrikaat. Historische feiten zijn als de bakstenen die nodig zijn om een gebouw te maken. Het is de taak van de historicus, de verhalenverteller, de inzichtgever, om architect te zijn, ruimte te scheppen.”

Hoe werkt u aan die opgave?

„Ik werk bij mijn historisch onderzoek altijd met een sterk besef van het nu. Het lege land ging over Nederland van omstreeks 1800 maar het kreeg slagkracht door de gesprekken die ik had met landschapsarchitecten als Dirk Sijmons en Lodewijk van Nieuwenhuijze die toen intensief nadachten over de ruimtelijke inrichting van Nederland in 2050.

„In Een nieuwe wereld zit mijn bewondering voor een overheid, en een samenleving, die in vijftig jaar bijna vanuit het niets een sterke staat opbouwt waarin het algemeen belang een steeds manifestere rol speelt. Koninkrijk vol sloppen kreeg voor mij betekenis door de filmpjes uit de Aziatische, Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse slums die op YouTube zijn gepost.

„Voor De nieuwe mens was een observatie van Herbert Marcuse cruciaal. Ik liep al een tijd te zoeken naar de invalshoek voor mijn materiaal over de late 19de eeuw. In de trein bladerde ik anderhalf jaar geleden in Marcuses De eendimensionale mens, de cultuurkritiek op de de westerse samenleving van omstreeks 1960. Het is het bekende cultboek van de studentengeneratie van 1968. Ook bij mij stond het al ruim veertig jaar ongelezen in de kast. Tijdens die treinreis ontdekte ik de alinea waar Marcuse schrijft dat de dagelijkse werkelijkheid van de hoog geïndustrialiseerde samenleving de oude, hoge cultuur overbodig heeft gemaakt. De nieuwe ‘echte’ werkelijkheid is beter, effectiever, praktischer, tastbaarder en dus zinvoller dan die van hoge cultuur. Toen wist ik wat me te doen stond.”