Maagdelijke bunkers zijn de beste bunkers zijn de beste bunkers

Deze zomer bezoekt nrc.next iedere week een club in Nederland. Vandaag: bunkers opgraven met de Haagse Bunkerploeg.

Over één ding zijn alle leden van de Haagse Bunkerploeg (HBP) het eens: maagdelijke bunkers zijn de beste bunkers. Dat je je door die smalle schacht laat zakken, je voeten de vochtige grond raken, je om je heen kijkt en denkt: ‘kolere’. In een maagdelijke bunker weet je nooit wat je zult aantreffen. Het is alsof je in een tijdscapsule stapt.

Ze hebben er zin in, de mannen van de HBP. Het beoogde exemplaar ligt in het Noordhollands Duinreservaat, een 5.300 hectare groot gebied tussen Wijk aan Zee en Bergen. Matthieu (46) schenkt koffie in plastic bekertjes terwijl Ruud (50) gereedschap uit ‘de bunkerbak’ laadt. Het schemert als ze gestoken in camouflagekleding en gewapend met zaklampen de duinen betreden. Ruud: „Trek die sokken maar lekker hoog op. Het stikt hier van de teken.”

Al bijna twintig jaar doet de Haagse Bunkerploeg onderzoek naar verdedigingswerken uit de Tweede Wereldoorlog. En met ‘onderzoek doen naar verdedigingswerken’ bedoelen ze: ze opgraven. Dat mag eigenlijk niet. Het graven is een verstoring van de Flora- en faunawet en wordt bestraft met minstens een boete. De meeste bunkeraars hebben er nog nooit een gehad, maar om dat zo te houden hebben ze het al vaak op een lopen moeten zetten. En dus opereert de HBP bij voorkeur ’s nachts – minder kans op boze boswachters, patrouillerende agenten en pottenkijkers. Zo’n twee keer per week gaan de bunkeraars op pad. Het is een soort verslaving, zeggen ze. Een ziekte. „We noemen het de betonneritis.”

Wie een bunker wil vinden, moet goed kunnen luisteren. Zo blijkt als René na een kwartier lopen een dunne metalen stok tevoorschijn haalt en in een ogenschijnlijk doodgewoon stuk duingrond begint te prikken. René (51) staat bekend als de Bunkerkoning, niemand in de wereld heeft zo veel bunkers opgegraven. Hij heeft ze niet precies geteld, maar hij schat dat het er rond de duizend zijn. „Minstens”, denkt Ruud.

Tik-tik.

Kijk, zegt de Bunkerkoning. Daar zul je ’m hebben.

Nu komt het moeilijkste gedeelte: de ingang vinden. Nou ja, moeilijk, moeilijk: „Bepaalde kanten kun je altijd wegstrepen”, zegt William. De ingang zit bijvoorbeeld nooit aan de ‘vijandzijde’ – de zee, in dit geval.

Het lijkt op een roestige mummie

Terwijl William graaft, geeft Ruud een geschiedenislesje. Bijna alle bunkers in de Nederlandse duinen zijn onderdeel van de Atlantikwall, de Duitse verdedigingslinie langs de kust van Europa. F.A.-bunkers (Feldmässiger Ausbau) komen het meest voor, dit type bood bescherming tegen kogels en (bom)scherven. Niks vergeleken met de S.T.-bunker: gebouwd uit staalijzer en versterkt beton. Muren van tussen de 2 en 3,5 meter, bestand tegen vliegtuigbommen van 500 kilo. Om binnen te komen moet er soms een gat van wel zes meter diep worden graven. Maar zulke bunkers zul je hier niet vinden, zegt René. „Dit wordt een gaatje van niks hoor.”

William – inmiddels tot zijn middel in de duingrond – is op een muurtje van baksteen gestuit. René haalt een hamer om „effe een klappie uit te delen”. Na een half uur bikken is het gat groot genoeg. William mag de bunker ‘ontmaagden’, de rest kruipt er snel achteraan.

„Sooooo hé.”

Verrassing: er ligt een object in de bunker. Het is ruim twee meter lang en heeft iets weg van een roestige mummie. „Da’s een droptank”, constateert René. „Kicken hoor, hé. Die zal wel van de geallieerden wezen, of niet Will?” William (42) denkt van wel, hij kan namelijk nergens codes vinden. En de Duitsers waren dol op codes. De tank is te groot en te poreus om mee te nemen naar het Bunkermuseum. Jammer. Dan maar een uitgebreide fotoshoot.

Om half één is het mooi geweest en gaat het gat weer netjes dicht. René ziet daar streng op toe, want ook dat is waar de HBP voor staat: respect voor de natuur. Zand erover, wat blaadjes. Nu nog een flinke regenbui en dan is het alsof er nooit iemand is geweest.