Liggend in Watou, luisterend naar Campert

In het Vlaamse dorp Watou laten dichters en kunstenaars hun werk horen en zien in boerenschuren en kloosters.

Kunst in de kerk van Watou: Kristof Kintera, Demon of the Growth Foto Kunstenfestival Watou / Elise Verstraete

In het Vlaamse dorp Watou, op een steenworp van de Franse grens, lijkt het leven zich in een lagere versnelling te voltrekken dan elders. ‘Het grensland’ noemde dichter Rutger Kopland deze gemoedelijke streek, waar de hop voor het trappistenbier hoog richting hemel reikt. Een boer met cowboyhoed rijdt er voldaan met zijn zojuist binnengehaalde hooibalen langs de volle terrassen aan het dorpsplein. Naast de kerk hangt een fiks varken aan het spit, dat een dag lang mag garen voor het vanavond in het lokale restaurant zal worden opgediend.

„Watou is een ideale plek om te ontspannen”, zegt Jan Moeyaert, de intendant van het Kunstenfestival dat hier sinds 2009 plaatsvindt. Voorheen stond het jaarlijkse evenement bekend als Poëziezomer, maar die naam mag na het vertrek van oprichter Gwy Mandelinck niet meer gebruikt worden. Dus gaf Moeyaert zijn festival de ondertitel ‘Verzamelde verhalen’. Het concept is in grote lijnen hetzelfde gebleven: een wandelroute van zo’n twee kilometer leidt langs oude boerenschuren, kloosters en brouwerijen waar werken van beeldend kunstenaars gekoppeld worden aan gedichten.

Op witte vlaggen langs het dorpsplein wappert het thema van deze zevende editie: ‘In de luwte van de tussentijd’. „Die zin kwam spontaan opborrelen”, zegt Moeyaert. „Tussentijd is de tijd die we voor onszelf hebben. Die momenten worden steeds schaarser. We denderen maar door, reflectie is voor later.” Daarom heeft hij op drie plekken langs de route ligplateaus gemaakt. Achteroverliggend, met je blik richting wolken, kun je er luisteren naar de stemmen van Remco Campert, Luuk Gruwez of Joke van Leeuwen die voordragen uit eigen werk. Vooral het werk van Campert, ‘de dichter van de superieure terzijdepoëzie’, zoals een criticus hem ooit noemde, is hier prachtig op zijn plek.

We wandelen over het erf van de Douviehoeve, sinds jaar en dag een vaste locatie van het festival. In de stallen, waar nog vaag de geur hangt van koeienmest, bouwde de Nederlandse kunstenaar Robert Roelink met plastic afval een soort grot: een schuilplaats voor de ontheemden in de wereld. Een volgende ruimte brengt je nog verder onder de grond. Daar heeft de Italiaan Giuseppe Licari een aantal reusachtige boomstronken als grillige kroonluchters aan het plafond gehangen. Zo toont hij ons de schoonheid van de wortels die we anders nooit te zien krijgen. Moeyaert hoopt dat mensen een tijd in deze ‘tussenruimte’ zullen blijven ronddwalen. „Het is een mooie plek om te contempleren.”

Het is een sobere editie, zegt Moeyaert, er is veel kunst te zien die licht en broos is. „Het gevaar is dat mensen aan de werken voorbijlopen omdat ze niet spectaculair genoeg zijn. Je moet als kijker zelf de rust nemen om de diepte te vinden.” Zijn tentoonstelling is in die zin een pleidooi voor onthaasting. „Kijk eens met een wat filosofischere blik naar je eigen agenda. De kunstenaars geven een voorzet. Zij kijken op een heel andere manier naar de wereld, ze zien meer. Ze hebben de gave om iets moois te zien in alledaagse dingen en voorbijgaande momenten. Hopelijk komt er uit de ontmoeting met hun werken iets moois voort. Een moment van verwondering. Dan is mijn missie geslaagd.”

De Nederlandse kunstenaar Martijn Engelbregt plaatste aan de rand van het dorp, aan het eind van een doodlopend wandelpad, een opzichtig rood-wit billboard met de tekst ‘Niet storen’. Erachter zie je niets anders dan eindeloze velden met wuivend gras en graan, de horizon en de blauwe lucht. En nu lekker mijmeren, lijkt het kunstwerk te gebieden.