Kinderen van de genocide willen dat Srebrenica normaal wordt

Srebrenica is meer dan de helft kleiner dan voor de massamoord van 1995. Etnische verzuiling viert er hoogtij. Jongeren proberen bruggen te bouwen. Of ze gaan weg.

Inwoners van Srebrenica drinken koffie in een café in het centrum van de stad. Als ze naar huis gaan, belanden Serviërs en Bosniërs in een parallelle realiteit. Foto Jodi Hilton

Met gepijnigde blik duwt Bekir Halilovic een dik boek naar de andere kant van de tafel. Het Bosnische dodenboek bevat de ontzagwekkende lijst met slachtoffers van de oorlog tussen 1992 en 1995. „Dit is één deel, de andere drie staan in de kast.” Bij het hoofdstuk ‘Srebrenica’ strijkt zijn vinger langs zijn familieleden. “Mijn vader: hij kreeg 70 kogels in zijn lichaam, zijn ogen waren uit de kassen gerukt. Mijn oom: naar hem ben ik genoemd.”

Hij is geboren in 1994, het jaar voor de moord op circa achtduizend Bosnische mannen en jongens die zich hadden verzameld in de veilig geachte enclave.

Een oorlogskind dus, maar ook een van de mannen van het nieuwe Srebrenica. In 2003 keerde hij met de overlevenden van zijn familie terug naar de stad. In de jaren na de oorlog werd het ooit Bosnische Srebrenica alleen door Serviërs bewoond.

Halilovic is een jonge bruggenbouwer in de gemeenschap. Hij is parttime gids en hotelreceptionist, maar organiseert ook jeugdkampen die Serviërs, Bosniërs en Kroaten samenbrengen aan de oevers van een meer in de buurt. Deelnemers kunnen best opschieten met elkaar, zegt hij, maar wel ondanks de giftige atmosfeer die hier nog steeds hangt. „De oorlog was niet ten einde in 1995. Nu hebben we geen wapens meer, maar de strijd gaat verder.”

In een café achter het kantoor van Bekir drinken Serviërs en Bosniërs koffie: aan sommige tafels zitten gemengde groepen. Maar als ze naar huis gaan, door de steile straten van een stad waar kogelgaten nog steeds huizen ontsieren, komen ze in een parallelle realiteit terecht.

Op lokale televisiekanalen propageren opiniemakers radicaal tegenovergestelde standpunten over hachelijke kwesties die worden opgerakeld rond het herdenkingsmoment op 11 juli, precies twintig jaar nadat de Bosnische enclave viel. De laatste twistappel is een Brits voorstel voor een VN-resolutie die de massamoord van 1995 betitelt als genocide. Serviërs die die kwalificatie niet aanvaarden voelen zich gesteund door het Russische veto tegen die resolutie. Langs de weg van Srebrenica naar Bratunac, de overwegend Servische buurstad waar generaal Ratko Mladic in 1995 zijn hoofdkwartier had, hangen aan muren en verkeerspalen posters met de beeltenis van Vladimir Poetin. Over het verleden blijven de inwoners van beide gemeenschappen anders denken.

Geen genoegdoening

In een paviljoen op de begraafplaats in Potocari, waar de slachtoffers van het bloedbad van 1995 rusten, maakt Mejra Dogaz (67) zich klaar voor het gebed. Tussen de uniforme puntige witte grafstenen en het onophoudelijke gesjirp van krekels herdenken de nabestaanden van de genocide rond deze tijd hun doden. Ze is lid van de Moeders van Srebrenica, die ijveren voor juridische genoegdoening voor de familie van slachtoffers. Oorlogsmisdadigers lopen nog steeds vrij rond, zegt ze. Excuses zijn nooit gemaakt. „Toen ik in 2003 terugkwam, probeerde een Servische buurman me omver te rijden”, zegt Dogaz. „Later werd ik nog aangevallen door een Servische boswachter.”

Terug in het centrum van Srebrenica kijkt Aleksandar Mladjenovic, de Servisch-orthodoxe priester, vanuit zijn kerk tegen de minaret van de lager gelegen moskee aan. Ook hij is niet vrolijk over de verstandhouding in het dorp. „Het is hier elke dag moeilijker een Serviër te zijn. We worden behandeld alsof we de Satan zijn.” Wanneer een Serviër wordt lastiggevallen of geen baan krijgt op etnische gronden, kan hij in het door een Bosnische burgemeester bestuurde Srebrenica niet op hulp rekenen, aldus Mladjenovic. Ook aan zijn kant vielen slachtoffers, zegt hij. Terwijl de priester nog even uitweidt over de goede intenties van het Servische volk, gaat zijn telefoon. De ringtone is een loflied op Draza Mihailovic, de leider van de nationalistische cetniks uit de Tweede Wereldoorlog, die als inspiratie golden voor Servische paramilitairen in de jaren 90.

Jongeren hebben doorgaans een gemengdere vriendenkring dan volwassenen, zegt Bekir Halilovic, maar ook zij kunnen het niet eens worden over wat er is gebeurd en wie schuldig is. „Dat moet je aanvaarden.” Het eindeloos uitdiepen van etnische verschillen wordt volgens hem vooral aangemoedigd door politici die het echte probleem van Srebrenica verhullen: de economische malaise die iedereen raakt.

Die analyse delen veel inwoners. „Het gaat niet om Bosniërs of Serviërs”, zegt Bilja Ilic, een jonge lerares die in Boedapest studeerde. Jongeren uit beide groepen verlaten de stad. „Telkens wanneer ik hier terugkom, zijn de straten weer wat leger. De bakker en de slager zijn ook al gesloten. De mooie geschilderde huizen die je ziet, zijn eigendom van mensen die in Australië, Duitsland of Zweden wonen.”

Voor de oorlog woonden hier ongeveer 37.000 mensen, nu ligt de optimistische officiële schatting op 15.000.

De jeugdwerkloosheid in Bosnië bedraagt 60 procent. Ondanks de buitenlandse subsidies – onder meer 120 miljoen euro van de Nederlandse overheid – zijn slechts een paar van de grote fabrieken rond de stad weer gaan draaien. Sommige investeerders streken de subsidie op en verdwenen. De heropleving van een kuuroord – voor de oorlog een belangrijke bron van inkomsten – wordt gefnuikt door getouwtrek. De Bosnische burgemeester van Srebrenica wijst met een beschuldigende vinger naar de Servische regionale overheid, die de vergunningen voor het project blokkeert. Een gloednieuw hotel, dat anticipeerde op een hernieuwde instroom badgasten, staat half afgewerkt en leeg naast het stadhuis.

Srebrenica wordt bestuurd door een brede coalitie van Bosnische en Servische partijen. Voor de verkiezingen laaien de etnische spanningen op. De burgemeester heeft zijn baan te danken aan een campagne om Bosnische inwoners, die elders wonen, in Srebrenica te registreren zodat ze kunnen stemmen. Na de verkiezingen verdelen de rivalen macht en posten onder elkaar, zegt Ilic. In scholen en andere overheidsinstellingen „betekent je opleiding niets als je niet over de juiste politieke connecties beschikt”. Wanneer politici de verwachtingen vervolgens niet weten in te lossen, gaan ze opnieuw op zoek naar een zondebok. Sinds de Dayton-akkoorden van 1995, die een einde maakten aan de oorlog en het land opdeelden in de Servische Republiek en een Bosnisch-Kroatische federatie, gaan falend bestuur en etnische politiek hand in hand in Bosnië.

Nationalisten en normalen

Toch ziet jeugdkampleider Halilovic nog wel hoop voor Srebrenica: „Er zijn twee categorieën in dit land: nationalisten en normalen. In Srebrenica zijn de normalen nog in de meerderheid.” Hij en andere ‘normalen’, zoals Ismar Poric, dirigent van een multi-etnisch kinderkoor, richten zich op de jongsten in de stad. „Kinderen zijn kinderen: zij zijn nog niet gebroken vanbinnen”, zegt de 26-jarige Poric op de trapjes van de muziekschool. Ze hebben een twee uur durende repetitie achter de rug voor een Srebrenica-herdenking in Wenen. ‘Alle Menschen werden Brüder’ klonk het unisono uit tientallen Bosnische en Servische kelen. Poric: „We laten zien dat dingen ook heel eenvoudig kunnen zijn. We laten politiek voor wat het is en concentreren ons op muziek.” Hij begon vier jaar geleden met zeven leden. Nu zijn er 260.

Ook Radomirka Savic (22) straalt optimisme uit achter haar bureau in het jeugdcentrum van Srebrenica, een plaats waar jongeren samenkomen en via speelse activiteiten vaardigheden leren om samen te leven. De coördinator is zelf een voorbeeld van hoe het moet: als Servische uit Teslic, in de Servische Republiek, trouwde Savic een Bosniër uit Srebrenica. „Het kostte mijn familie enige tijd het te aanvaarden. Het ergste zijn al de anderen die er zich mee willen bemoeien. Mensen stuurden me Facebook-berichten: als het weer oorlog wordt, snijden we je keel open.”

Tegen dit soort krachten moeten de welwillenden van Srebrenica vechten. Maar, zegt Savic met een glimlach: „Wij blijven nog. Ik wil niet toegeven aan hun boodschap van haat.”