Impressionist met een linkse missie

Het besef dat hij overdreef en oprecht geloofde in het communisme, schaadt de postume reputatie van Kapuscinski. Een selectie van zijn werk rehabiliteert hem als de Van Gogh van de journalistieke reportage.

Het lichaam van de vermoorde Duitse ambassadeur is gevonden, 6 april 1970 Foto AP

Ooit meenden zijn landgenoten dat hij de Nobelprijs voor Literatuur verdiende. Nu, bijna tien jaar na zijn dood, gaat het in zijn vaderland Polen ronduit slecht met de status van Ryszard Kapuscinki (1932-2007). Dat komt meer door de politieke overtuigingen en connecties van de meester van de literair-journalistieke reportage, dan door zijn neiging tot overdrijving.

Dat laatste is sinds de verschijning van de biografie door zijn leerling, vriend en collega Artur Domoslawski overal breed uitgemeten, maar in Polen, waar kiezers en intellectuelen tegenwoordig weinig van links moeten hebben, accentueert men zijn hand- en spandiensten voor de geheime dienst. Rechts domineert de politiek: conservatief versus nationalistisch versus liberaal. Kapuscinski was links. Hij was decennialang zelfs een overtuigd communist.

De schrijver van De sjah aller sjahs, over de sjah van Perzië, en De keizer, over keizer Haile Selassi van Ethiopië, sympathiseerde al in stalinistische tijden met het regime van de volksrepubliek Polen. Als student zou hij een paar gruwelijke gedichten schrijven ter ere van de communistische partij en Stalin. En tot het uitroepen van de staat van beleg in 1981 zou hij bescherming van de machthebbers genieten – hij had vrienden tot in het Politbureau. Pas daarna zegde hij zijn lidmaatschap van de communistische partij op, niet omdat hij verlangde naar een westerse, liberale democratie, laat staan naar iets als kapitalisme, maar omdat de volksrepubliek onder Jaruzelski niet meer voldeed aan zijn socialistische idealen. Het regime stond niet meer aan de kant van de gewone man, de onderdrukten, ofwel: de helden uit Kapuscinski’s boeken.

Niet lang na de kapitalistische omvorming van Polen ontpopte hij zich, vooral buiten Polen, tot een felle ‘andersglobalist’, een internationale beroemdheid die pleitte voor meer hulp aan de Derde Wereld en die wees op de door het Westen gecreëerde voedingsbodem voor moslimextremistische organisaties als Al Qaeda.

Pas na zijn dood brak het besef in Polen door dat Kapuscinski niet anders is te duiden dan als een bevlogen ideoloog die met talloze van zijn hoofdpersonages streed tegen Amerikaans imperialisme of kapitalistische uitbuiting. Het verhaal dat dit goed laat zien, is De dood van de ambassadeur (1970), over de ontvoering van en moord op de Duitse ambassadeur in Guatemala door linkse guerrillastrijders. Opvallend genoeg is juist dat verhaal nooit in het Nederlands vertaald. Dat is nu rechtgezet door e-bookuitgeverij Fosfor.

De tekst helpt om de aard van Kapuscinski’s ideologische gedrevenheid te doorgronden. Die bestond allerminst uit slaafse volgzaamheid aan Moskou. Zo konden de guerrillero’s in Centraal-Amerika, voor wie Kapuscinski begrip vraagt in De dood van de ambassadeur, allerminst rekenen op steun uit het Kremlin, waar in die jaren een politiek van vreedzame coëxistentie met de VS werd gevoerd. Dat betekende onder meer: geen rotzooi trappen in ‘de achtertuin’ van de VS. Dan zou die grootmacht vervolgens niet lastig doen over tanks in Praag, Boedapest of Warschau, de achtertuin van de de Sovjet-Unie.

Terroristische daad

Gevolg van deze non-interventiepolitiek was dat westerse persbureaus uit Centraal-Amerika nagenoeg onweersproken bleven. De ontvoering van Von Spreti ging de wereld in als een terroristische daad. Dit tot grote woede van Kapuscinski. Hij besloot in Mexico een ander verhaal te schrijven, één waarin ‘verstandige’ jongeren hun ‘doelwit’ kozen na ‘een weloverwogen lange discussie’. En waarin de moord op Von Spreti uiteindelijk op conto van de VS kwam te staan. Want Washington had opdracht moeten geven aan de Guatemalteekse dictatuur om in te gaan op de eis van de ontvoerders: 22 guerrillastrijders vrijlaten. Dat deed Amerika niet, en dus had het om de moord gevraagd.

In een overtuigende inleiding bij een selectie reportages die tegelijk met deze vertaling is verschenen, belicht Frank Westerman de politieke overtuigingen van Kapuscinski en, tussen alle lof door, noemt hij het een gemiste kans van zijn held om in Imperium, over de ineenstorting van het Sovjetrijk, wél te vertellen over zijn jeugd in Pinsk (nu Wit-Rusland), maar niets te schrijven over de ineenstorting van zijn eigen politieke heilstaatdromen.

Impressionist

Tegelijk verdedigt Westerman zijn held tegen hen die klagen over de verzinsels in diens teksten. De Pool was een impressionist, zegt Westerman. Zoals Vincent van Gogh de sterren in zijn Sterrennacht onrealistisch liet tollen en fonkelen om de werkelijkheid beter voor het voetlicht te brengen (niet alleen mooier!), zo tekende Kapuscinski soms een traan in een oog van een oude vrouw om een situatie tot zijn recht te laten komen.

Kapuscinski ging soms voorbij de grens van wat journalistiek heet, maar je bent ook niet helemaal goed snik, zegt Westerman in navolging van de Poolse schrijver Andrzej Stasiuk, als je werkelijk gelooft dat de baars in het Victoriameer zich tegoed deed aan de slachtoffers van Idi Amins regime. Die suggestie en vele andere van Kapuscinski, zijn overdrachtelijk bedoeld.

Zitten dit soort overdrijvingen ook in De dood van de ambassadeur? Zeker. Over dictator Rafael Carrera lezen we niet alleen dat hij altijd dronken in slaap viel met zijn armen uitgespreid liggend op een kerkvloer, maar ook dat hij verbood te glimlachen in zijn aanwezigheid. ‘Degenen die glimlachten liet hij executeren.’

Ja, vast. Iedereen.

Maar overdrijven is niet hetzelfde als onzin verkopen. Westerman heeft een goed gevoel voor die grens en in de reportages die hij heeft samengebracht, blijkt opnieuw wat een groot evocatief schrijver Kapuscinski kon zijn; de meester die in het particuliere het algemene tot leven wekt. Des te opvallender is het dat Westerman zelf die grens in zijn voorwoord haast achteloos overschrijdt. In een zelfverzekerde bijzin beweert hij dat Kapuscinski in eigen land nog altijd een heiligenstatus geniet ‘waar slechts paus Wojtyla aan kan tippen.’

Dat is geen overdrijving, dat is onzin. Maar misschien doet Westerman zelfs hierin zijn held recht. Om die te citeren, uit De sjah aller sjahs: de onzin kan niet zo groot zijn of de mensen komen erop. De Pool noemt dat een ‘banaal inzicht’. Maar daarom niet minder waar.